Pedagogiekquiz Orientatie op keuze, bijeenkomst 2

Het Nederlands
 onderwijssysteem 
toen en nu
1 / 19
next
Slide 1: Slide
PedagogiekHBOStudiejaar 1

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slide.

Report this lesson

Items in this lesson

Het Nederlands
 onderwijssysteem 
toen en nu

Slide 1 - Slide

1. Welke rol speelde de kerk in het onderwijs vóór Napoleon aan de macht kwam?
A
De kerk had helemaal geen invloed op het onderwijs.
B
De kerk bepaalde en organiseerde het onderwijs.
C
De kerk verbood onderwijs aan meisjes en jongens.
D
De kerk zorgde alleen voor onderwijs in wiskunde.

Slide 2 - Quiz

Wat was het effect van de uitvinding van de boekdrukkunst (1450) op de verspreiding van kennis?
A
Boeken werden goedkoper en toegankelijker.
B
Kennis bleef beperkt tot kloosters.
C
Kennis kon sneller en breder verspreid worden.
D
De overheid verbood verspreiding van kennis.

Slide 3 - Quiz

Wat hield de 'schoolstrijd' in?
A
Een maatschappelijk conflict over de kwaliteit van het onderwijs.
B
Een discussie of de overheid het curriculum moest bepalen of de kerk.
C
Een strijd over de invoering van de leerplichtwet.
D
Een politieke strijd over de financiering van bijzonder onderwijs naast openbaar onderwijs.

Slide 4 - Quiz

Wat was een belangrijk gevolg van de schoolstrijd?
A
Bijzonder onderwijs bleef bestaan, maar moest volledig zelf bekostigd worden.
B
Bijzonder onderwijs kreeg dezelfde financiële rechten als openbaar onderwijs.
C
In 1917 kwam er een grondwetswijziging waardoor bijzonder onderwijs ook door de overheid werd gefinancierd.
D
Alleen scholen met een religieuze achtergrond mochten nog bestaan.

Slide 5 - Quiz

Wat hield de Kinderwet van Van Houten (1874) in?
A
Verplichte schoolgang voor kinderen van 6–12 jaar.
B
Afschaffing van lijfstraffen in het onderwijs.
C
Verbod op fabrieksarbeid voor kinderen onder de 12 jaar.
D
Financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

Slide 6 - Quiz

Stel: Je geeft een les over de leerplichtwet van 1901. Hoe zou jij dit onderwerp verbinden met de huidige leerplicht in Nederland?
A
Vroeger was er geen leerplicht, nu is die er nog steeds niet.
B
Toen gold leerplicht van 6–12 jaar, nu geldt leerplicht van 5–16 (en tot 18 zonder startkwalificatie).
C
De leerplichtwet is sinds 1901 nooit veranderd.
D
Nu mogen kinderen zelf kiezen of ze naar school gaan.

Slide 7 - Quiz

Je wilt leerlingen uitleggen waarom onderwijs niet altijd vanzelfsprekend was voor meisjes. Welke voorbeelden uit de tekst zou je daarvoor gebruiken?
A
Onderwijs was in eerste instantie alleen voor jongens.
B
Er waren nog geen bijzondere scholen.
C
Er werd alleen in het Latijn lesgegeven.
D
Er bestond nog geen leerplichtwet, dus onderwijs was geen recht voor iedereen.

Slide 8 - Quiz

Wat veranderde er aan de organisatie van het onderwijs door de centralisatie onder Napoleon?
A
Scholen werden door de kerk bestuurd.
B
Het onderwijs werd voortaan door de staat geregeld in plaats van door de kerk.
C
Alleen meisjes kregen onderwijs.
D
Scholen werden privébezit van rijke families.

Slide 9 - Quiz

Vergelijk de onderwijsvernieuwingen van de 20e eeuw (Dalton, Montessori) met de hedendaagse vernieuwers (Agora, iPad-scholen). Welke overeenkomsten zijn juist?
A
Beide zijn uitsluitend religieus georganiseerd.
B
Beide hebben aandacht voor leerlinggericht leren.
C
Beide hebben als doel dat alle leerlingen hetzelfde leren.
D
Beide proberen meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid aan leerlingen te geven.

Slide 10 - Quiz

Welke maatschappelijke ontwikkeling heeft geleid tot de invoering van de leerplichtwet in 1901?
A
De afschaffing van lijfstraffen in 1823.
B
De uitvinding van de boekdrukkunst.
C
De opkomst van fabrieksarbeid en de wens om kinderen beter te beschermen.
D
De komst van het internet.

Slide 11 - Quiz

Stel je voor dat de boekdrukkunst nooit was uitgevonden. Wat zou een waarschijnlijk gevolg zijn geweest?
A
Onderwijs zou sneller toegankelijk zijn geweest.
B
Kennis zou veel trager en minder breed verspreid zijn.
C
Er zou meer digitaal lesmateriaal beschikbaar zijn.
D
Kinderen zouden veel jonger naar school zijn gegaan.

Slide 12 - Quiz

Welke lesactiviteit laat leerlingen het beste ervaren hoe het was om in de 19e eeuw naar school te gaan?
A
Leerlingen schrijven een tekst met een pen en papier zoals nu, maar zonder digitale hulpmiddelen.
B
Leerlingen schrijven een tekst met ganzenveer/ griffel en een lei en krijgen les in strenge stilte.
C
Leerlingen bezoeken het nationale schoolmuseum in Dordrecht.
D
Leerlingen krijgen les met oude schoolplaten en zingen psalmen, maar mogen wel modern materiaal gebruiken.

Slide 13 - Quiz

Waarom werd in het onderwijs de samenvoeging van de lagere school en de kleuterschool (groep 1–8) doorgevoerd in 1985?
A
Om de overgang tussen kleuter- en lager onderwijs soepeler te maken en een doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen te creëren.
B
Om administratieve kosten te besparen en personeel efficiënter in te zetten, zonder invloed op de onderwijskwaliteit.
C
Om kleuters meer academische vakken aan te bieden die traditioneel pas in de lagere school worden gegeven.
D
Om kleuters en oudere kinderen in één klas samen te brengen en zo sociaal gedrag te stimuleren.

Slide 14 - Quiz

Wat is het belangrijkste verschil tussen speciaal onderwijs (so) en speciaal basisonderwijs (sbo)?
A
SO is bedoeld voor kinderen met leer- of gedragsproblemen, terwijl SBO uitsluitend kinderen met fysieke beperkingen opvangt.
B
SO richt zich op kinderen die intensieve ondersteuning nodig hebben bij leren en/of gedrag, terwijl SBO kinderen begeleidt die tijdelijk extra hulp nodig hebben binnen het reguliere curriculum.
C
SO en SBO zijn hetzelfde, het verschil zit alleen in de naamgeving per regio.
D
SBO is alleen voor kinderen met gedragsproblemen, terwijl SO voor kinderen met cognitieve beperkingen is.

Slide 15 - Quiz

Wat is een belangrijk verschil tussen openbaar onderwijs en confessioneel onderwijs in Nederland?
A
Openbaar onderwijs is altijd kleinschaliger dan confessioneel onderwijs.
B
Openbaar onderwijs is neutraal en toegankelijk voor iedereen, confessioneel onderwijs is gebaseerd op een godsdienst of levensovertuiging.
C
Confessioneel onderwijs wordt door de overheid niet bekostigd, openbaar onderwijs wel.
D
Alleen openbaar onderwijs mag zelf een onderwijsvisie ontwikkelen.

Slide 16 - Quiz

Kan een school in Nederland zowel een confessioneel bestuur hebben als werken vanuit een bijzondere onderwijsvisie, zoals Montessori of Dalton?
A
Nee, confessionele scholen mogen alleen klassiek onderwijs geven.
B
Nee, een school moet kiezen: óf confessioneel óf een bijzondere onderwijsvisie.
C
Ja, een school kan confessioneel zijn én werken vanuit een bijzondere onderwijsvisie.
D
Ja, maar alleen als het om openbaar onderwijs gaat.

Slide 17 - Quiz

In de uitdrukkingen' Met een schone lei beginnen'
en 'Een tien met een griffel' worden schoolmaterialen uit de 19de eeuw genoemd.
Wat is een lei en wat is een griffel?

Slide 18 - Open question

Wat is de overeenkomst
tussen
een plak en een pechvogel?

Slide 19 - Mind map