Vroeger en nu
Vroeger Nu
Het verleden
Ik heb gedanst. Ik dans.
Vroeger en nu
Het perfectum Het presens
Ik heb gewerkt. Ik werk.
Ik heb vorige week in de tuin gewerkt. Is de zin vroeger of nu?
Vroeger
Nu
Ik leer Nederlands.
Vroeger
Nu
Ik loop 10 kilometer.
Vroeger
Nu
Ik heb in de discotheek gedanst.
Vroeger
Nu
Ik heb naar mijn moeder gebeld.
Vroeger
Nu
Wat is het perfectum?
Is het een -t of een -d?
Een voorbeeld
Werken:
ik-vorm: werk
Staat de k in SoFTKeTCHuP?
Wonen
ik-vorm: woon
Staat de n in SoFTKeTCHuP?
Let op!
Werkwoorden met een z of een v, maak je anders.
reizen - gereisd
grazen - gegraasd
leven - geleefd
poetsen
luisteren
Voltooid deelwoord met t
(SoFTKeTCHuP)
Voltooid deelwoord met d
groeten
rennen
horen
vragen
wandelen
maken
fietsen
pakken
tekenen
leren
Wat is het voltooid deelwoord van luisteren?
Wat is het voltooid deelwoord van horen?
Wat is het voltooid deelwoord van ruilen?
Wat is het voltooid deelwoord van vieren?
Wat is het voltooid deelwoord van wandelen.
Wat is het voltooid deelwoord van wandelen.
Hebben of zijn?
Het perfectum Het presens
Ik heb gewerkt. Ik werk.
Ik ben naar school gefietst. Ik fiets
Hebben of zijn?
Hebben zijn
Meestal (90%) Zelden (10%)
Hebben of zijn?
Bij bewegingswerkwoorden (wandelen, fietsen, joggen,...)
Hebben zijn
Ik heb gefietst. Ik ben naar school gefietst.
Zonder verplaating met verplaatsing