Capítulo 1 tot en met 4 compañeros 1

Bienvenidos
1 / 110
next
Slide 1: Slide
SpaansBeroepsopleiding

This lesson contains 110 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

Bienvenidos

Slide 1 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Heb ik woorden geleerd die te maken hebben met instructies
  • Kan ik de juiste woorden die te maken hebben met het dagelijks leven bij de foto's plaatsen 
  • Ken ik het Spaanse alfabet

Slide 2 - Slide

Ejercicios punto de partida
Luego haz los ejercicios de punto de partida

Slide 3 - Slide

Deberes
Oefeningen af van punto de partida

Slide 4 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 1

Slide 5 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken ik de woordjes die te maken hebben met dingen in het klaslokaal
  • heb ik het alfabet herhaald
  • kan ik antwoord geven op vragen die gesteld worden over personen
  • weet ik wat de werkwoorden ser en llamarse betekenen
  • ken ik de persoonlijk voornaamwoorden in het Spaans
  • ken ik de lidwoorden in het Spaans
  • weet ik wat de uitgangen van Spaanse zelfstandige naamwoorden zijn

Slide 6 - Slide

Ejercicios vocabulario
Maak opdracht 1

Daarna luisteren we samen naar opdracht 2 en 3

Maak opdracht 4

Als laatste maken we samen opdracht 5

Slide 7 - Slide

Explicación de la gramática
In het Spaans heb je net als in het Nederlands persoonlijke voornaamwoorden. In het Nederlands zijn dit:
- ik
- jij
- hij / zij (ev) / u
- wij
- jullie
- zij (mv) / u
In het Spaans zijn dit:
- yo
- tú
- él / ella / usted
- nosotros / nosotras
- vosotros / vosotras
- ellos / ellas / ustedes
In het Spaans is het niet nodig om het persoonlijk voornaam woord te gebruiken. Dit doe je soms om de nadruk te leggen. In het Spaans hebben alle werkwoorden een eigen vervoeging. Je kan dus zeggen: Soy de Holanda 

Slide 8 - Slide

Explicación de la gramática
Het werkwoord SER gebruik je in het Spaans om te zeggen
- wie iemand is
- hoe iemand is
- waar iemand vandaan komt
- wanneer je iets of iemand beschrijft

Soy de Holanda
Juan es un chico alto 

Slide 9 - Slide

Explicación de la gramática
Het werkwoord LLAMARSE is een wederkerend werkwoord (letterlijk vertaald zou dit werkwoord zich noemen -> heten in het Nederlands zijn . Dit kun je herkennen aan -SE achter de uitgang van het werkwoord.
- (yo) me llamo
- (tú) te llamas
- (él / ella / usted) se llama
- (nosotr@s) nos llamamos
- (vosotr@s) os llamáis
- (ellos / ellas / ustedes) se llaman

Slide 10 - Slide

Explicación de la gramática
De bepaalde lidwoorden in het Spaans zijn:
El / la / los / las
In het Nederlands: de en het 

El niño - los niños
La niña - las niñas

Onbepaalde lidwoorden in het Spaans zijn:
Un / una / unos / unas
In het Nederlands: een

Un niño - unos niños
Una niña - unas niñas

Slide 11 - Slide

Explicación de la gramática
De mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden

Mannelijk:
-o, -l, -aje, -or, -ema

Cielo, hotel, garaje, hablador, tema

Vrouwelijk
-a, -sión, -ción, -dad, -tad, -ed

Casa, televisión, canción, ciudad, libertad, pared

Uitzonderlingen: el mapa, el dia / la foto, la moto, la radio, la mano

Slide 12 - Slide

Ik
A
Yo
B
Eres holandés
C
Es holandés
D
Somos holandeses

Slide 13 - Quiz

Jullie
A
Nosotros / nosotras
B
Ellos / ellas / ustedes
C
Tú
D
Vosotros / vosotras

Slide 14 - Quiz

Hij is meneer Sanchéz
A
Soy el señor Sanchéz
B
Son el señor Sanchéz
C
Eres el señor Sanchéz
D
Es el señor Sanchéz

Slide 15 - Quiz

Zij heet
A
Me llamo
B
Te llamas
C
Se llama
D
Se llaman

Slide 16 - Quiz

Jullie heten
A
Nos llamamos
B
Os llamáis
C
Me llamo
D
Se llaman

Slide 17 - Quiz

... problema
A
Los
B
Las
C
La
D
El

Slide 18 - Quiz

... mesa
A
Los
B
Las
C
La
D
El

Slide 19 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 5

Daarna luisteren we samen naar opdracht 6

Slide 20 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)

Slide 21 - Slide

Bienvenidos

Slide 22 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • heb ik naar gesprekjes die jongeren voeren geluisterd en weet ik waar ze over gaan
  • kan ik de getallen verbinden met de juiste Spaanse vertaling
  • kan ik informatie geven over iemand anders
  • heb ik gewerkt aan de vaardigheden: lezen, luisteren, spreken en schrijven

Slide 23 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 24 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdracht 2

We luisteren samen naar opdracht 3

Daarna maken we opdracht 4 ook samen

Slide 25 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 2 en 3

Maak opdracht 4 t/m 7 zelf

Slide 26 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.105)

Slide 27 - Slide

Bienvenidos

Slide 28 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • heb ik informatie over Spanje geleerd

Slide 29 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 30 - Slide

Ejercicios de cultura
Maak opdracht 1 en 2

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 31 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op woensdag 12 oktober

Kennen: 
Gramática capítulo 1
- De persoonlijke voornaamwoorden
- Werkwoorden ser en llamarse
- De lidwoorden 
- De zelfstandige naamwoorden
Voc. capítulo 1
- Páginas 105

Slide 32 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 2

Slide 33 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken ik de Spaanstalige landen en nationaliteiten
  • ken ik de dagen van de week
  • ken ik schoolvakken in het Spaans
  • weet ik wat het meervoud is in het Spaans
  • weet ik wat het aanwijzend voornaamwoord is in het Spaans
  • weet ik wat het bijvoeglijk naamwoord is in het Spaans

Slide 34 - Slide

Ejercicios vocabulario
Maak opdracht 1 en 2

Daarna luisteren we samen naar opdracht 3 t/m 7

Opdr. 8 hoeft niet

Slide 35 - Slide

Explicación de la gramática
Het werkwoord SER gebruik je in het Spaans om te zeggen
- wie iemand is
- hoe iemand is
- waar iemand vandaan komt
- wanneer je iets of iemand beschrijft

Soy de Holanda
Juan es un chico alto 

Slide 36 - Slide

Explicación de la gramática
Meervoud van zelfstandig naamwoorden
Casa -> casas
Camión -> camiones
Zelfstandig naamwoorden die eindigen op een klinker (a, e, i, o, u) krijgen in het meervoud een -s. Zelfstandig naamwoorden die eindigen op een medeklinker krijgen in het meervoud -es

Slide 37 - Slide

Explicación de la gramática
Aanwijzend voornaamwoorden
Este libro
Estos libros

Esta casa
Estas casas

Estos libros son de mi hermano 

Slide 38 - Slide

Explicación de la gramática
Bijvoeglijk naamwoorden:

In het Spaans staan de bijvoeglijk naamwoorden eigenlijk 9 van de 10 keer achter het zelfstandig naamwoord.

El gato blanco / la gata blanca
El gato grande / la gata grande

Los gatos blancos / las gatas blancas
Los gatos grandes / las gatas grandes

Slide 39 - Slide

Jij bent Nederlands
A
Soy holandés
B
Eres holandés
C
Es holandés
D
Somos holandeses

Slide 40 - Quiz

Wij zijn Nederlands
A
Soy holandés
B
Eres holandés
C
Es holandés
D
Somos holandeses

Slide 41 - Quiz

Wat is het meervoud van het woord planta
A
Plantas
B
Plantes
C
Plantos
D
Plantis

Slide 42 - Quiz

Wat is het meervoud van het woord avión
A
Avionos
B
Avionis
C
Avionas
D
Aviones

Slide 43 - Quiz

.... niños
A
Este
B
Estas
C
Estos
D
Esta

Slide 44 - Quiz

Chica
A
Este
B
Esta
C
Estos
D
Estas

Slide 45 - Quiz

El coche ...
A
Blancos
B
Blancas
C
Blanca
D
Blanco

Slide 46 - Quiz

Las mesas
A
Pequeñas
B
Pequeña
C
Pequeñas
D
Pequeños

Slide 47 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 5


Slide 48 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)

Slide 49 - Slide

Bienvenidos

Slide 50 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • begrijp ik een gesprekje van een nieuwe leerlinge die zichzelf voorstelt
  • Ken ik de nummers 21 tot en met 100
  • begrijp ik een tekstje waarin studenten zich aan elkaar voorstellen in een berichtje
  • begrijp ik een audio over Frida die praat over haar vriendinnen
  • kan ik vragen stellen aan mijn compañer@
  • kan ik een tekstje aanvullen met informatie over mijn compañer@

Slide 51 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 52 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdracht 2 en 3

Samen maken we 4 t/m 9

Slide 53 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 en 2 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 3 

Opdracht 4 doen we samen 

Maak daarna zelf opdracht 5

Slide 54 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.105)

Slide 55 - Slide

Bienvenidos

Slide 56 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • heb ik informatie opgedaan over la ESO (middelbaar onderwijs)

Slide 57 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 58 - Slide

Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 3

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 59 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op donderdag ..........

Kennen: 
Gramática capítulo 2
- Werkwoorden ser 
- Meervouden Spaans 
- De aanwijzend voornaamwoorden
- Bijvoeglijk naamwoorden
Voc. capítulo 2
- Páginas 105 / 106

Slide 60 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 3

Slide 61 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken ik de familieleden in het Spaans
  • ken ik de vervoegingen van de regelmatige werkwoorden
  • ken ik de vervoegingen van het werkwoord tener (hebben)

Slide 62 - Slide

Ejercicios vocabulario
Samen maken we 1 t/m 3

Maak opdracht 4 zelf

Daarna luisteren we samen naar opdracht 5

Maak zelf opdracht 6

Samen luisteren we naar opdracht 7

Maak zelf opdracht 8

Slide 63 - Slide

Explicación de la gramática
Tegenwoordige tijd van de regelmatige werkwoorden + ww tener

                              HABLAR      COMER      VIVIR                                 TENER
Yo                          hablo         / como         / vivo                                    tengo
Tú                          hablas        / comes       / vives                                  tienes
Él/ella/usted        habla         / come         / vive                                    tiene
Nosotr@s            hablamos / comemos / vivimos                             tenemos
Vosotr@s             habláis      / coméis      / vivís                                   tenéis
Ell@s/ustedes    hablan       / comen       / viven                                  tienen

Slide 64 - Slide

Jij praat
A
Hablo
B
Hablas
C
Hablan
D
Hablamos

Slide 65 - Quiz

Wij wonen
A
Viven
B
Vives
C
Vivo
D
Vivimos

Slide 66 - Quiz

Ik heb
A
Tengo
B
Tenéis
C
Tienen
D
Tienes

Slide 67 - Quiz

Zij hebben
A
Tengo
B
Tienes
C
Tenemos
D
Tienen

Slide 68 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3


Slide 69 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)

Slide 70 - Slide

Bienvenidos

Slide 71 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken ik de bezittelijk voornaamwoorden in het Spaans
  • kan ik een gesprekje begrijpen die gaat over Julia die haar neefjes voorstelt aan haar vrienden
  • Ken ik de Spaanse kloktijden
  • begrijp ik een tekstje over Marta die haar familie voorstelt
  • kan ik de kloktijden invullen in het Spaans
  • kan ik praten over familieleden

Slide 72 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 73 - Slide

Explicación de la gramática
Bezittelijk voornaamwoorden

Yo                         mi libro                  / mis libros
Tú                         tu mesa                 / tus mesas
Él/ella/usted       su silla                    / sus sillas
Nosotr@s           nuestr@ amig@ / nuestr@s amig@s
Vosotr@s            vuestr@ tí@         / vuestr@s tí@s
Ell@s/ustedes    su silla                    / sus sillas

Slide 74 - Slide

(zijn) libro
A
Tu
B
Nuestro
C
Su
D
Mi

Slide 75 - Quiz

(jullie) abuela
A
Su
B
Vuestra
C
Mi
D
Nuestra

Slide 76 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 7

Slide 77 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdracht 2 en 3

Samen maken we 4 t/m 6

Slide 78 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 t/m 3 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 4

Opdracht 4 doen we samen 

Maak daarna zelf opdracht 5 t/m 7

Slide 79 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.105)

Slide 80 - Slide

Bienvenidos

Slide 81 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • heb ik informatie over comics

Slide 82 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 83 - Slide

Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 4

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 84 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op donderdag ..........

Kennen: 
Gramática capítulo 3
- Vervoegingen regelmatige werkwoorden
- Werkwoord tener
- Bezittelijk voornaamwoorden
Voc. capítulo 3
- Páginas 106/107

Slide 85 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 4

Slide 86 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken ik Spaanse benamingen voor etenswaren
  • ken ik de vervoegingen van het werkwoord querer (willen)

Slide 87 - Slide

Ejercicios vocabulario
Samen maken we 1 t/m 3

Maak zelf 4 t/m 6

Slide 88 - Slide

Explicación de la gramática
Tegenwoordige tijd van het werkwoord querer

Yo                          quiero        
Tú                          quieres    
Él/ella/usted        quiere    
Nosotr@s            queremos
Vosotr@s             queréis    
Ell@s/ustedes    quieren   
Hay

De Nederlandse vertaling ban hay is vaak er is / er zijn

Hay + onb. lw -> hay un tomate
Hay + zlf nmw -> hay chicos

Hay + tlw -> hay dos libros
Hay + onb. hvl. -> hay algunos alumnos

Slide 89 - Slide

Hij wil
A
quiere
B
quieres
C
queremos
D
quieren

Slide 90 - Quiz

ik wil
A
quiero
B
queremos
C
quieren
D
quieres

Slide 91 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3


Slide 92 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)

Slide 93 - Slide

Bienvenidos

Slide 94 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken ik het gebruik van het woord hay
  • ken ik het gebruik van het werkwoord gustar (leuk vinden)
  • kan ik een gesprekje begrijpen over 2 personen die in gesprek zijn over eten
  • kan ik eten aanbieden aan iemand of aannemen
  • begrijp ik een menu kaart
  • begrijp ik wat Celía en Ramón lekker vinden
  • kan ik eten bestellen in het Spaans

Slide 95 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 96 - Slide

Explicación de la gramática
Werkwoord gustar

Het werkwoord gustar betekent: leuk/lekker/fijn vinden, houden van, bevallen

a mí                        me                                            nadar
a ti                           te                 gusta          
a él / ella / usted  le                                           la pizza
a nosotr@s           nos             
a vosotr@s            os                 gustan            las pizza
a ell@s / ustedes les

Slide 97 - Slide

Explicación de la gramática
Werkwoord gustar

Gustar gebruik je net als het Nederlandse werkwoord bevallen. 
Het onderwerp bepaald of je gusta of gustan gebruikt.

Onderwerp in enkelvoud = gusta
me gusta la bebida

Onderwerp in meervoud = gustan
me gustan las bebidas

Hele werkwoorden = gusta
¿Te gusta nadar?

Slide 98 - Slide

Explicación de la gramática
Werkwoord gustar

Voor het vervoegde werkwoord gustar staat altijd een meewerkend voorwerp me, te, le, nos, os, les

Je kunt a mí, a ti, etc. voor het meewerkend voorwerp zetten. Maar dat doe je alleen als je extra nadruk erop wil leggen of als het niet duidelijk is om wie het gaat

Slide 99 - Slide

Ik vind zingen leuk
A
(a mí) me gusta cantar
B
(a mí) me gustan cantar
C
(a ti) te gusta cantar
D
(a ti) te gusta cantar

Slide 100 - Quiz

zij vinden pizza's lekker
A
(a ell@s) les gusta las pizzas
B
(a ell@s) les gustan las pizzas
C
(a ella) le gustan las pizzas
D
(a ella) le gusta las pizzas

Slide 101 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 7

Slide 102 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdracht 2 en 3

Samen maken we 4 t/m 8

Slide 103 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 t/m 3 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 4 en 5

Maak daarna zelf opdracht 6

Daarna maken we samen 6 t/m 9

Slide 104 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.105)

Slide 105 - Slide

Bienvenidos

Slide 106 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • heb ik informatie over wat er gegeten wordt in Spanje

Slide 107 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 108 - Slide

Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 4

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 109 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op donderdag .......
Kennen: 
Gramática capítulo 4
- Werkwoord querer + gebruik hay
- Werkwoord gustar
Voc. capítulo 4
- Páginas 107/108

Slide 110 - Slide