H1 Elektriciteit Samenvatting -D-toets

H1 Elektriciteit Samenvatting
1 / 42
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

H1 Elektriciteit Samenvatting

Slide 1 - Slide

Planning H1 Elektriciteit
wk 48:  H1.2 Elektriciteit
wk 49 H1.3 Elektromagneten  
wk 50 H1.4 Elektronische schakelingen
wk 51: Samenvatting  + Oefentoets H1 (let op verplaatst)
wk 2: Herhaling H1 + bespreken oefentoets + PTA H1 Elektriciteit
wk3: Blokweek stage

PTA: H1 donderdag 8 januari 2026



GT (H13, H15 en H16)

Slide 2 - Slide

Geleider en isolator
Vorig jaar heb je al geleerd wat een geleider en een isolator is.
Wie weet het nog?

  • Een geleider laat wel stroom door.
  • Een isolator laat geen stroom door.

Slide 3 - Slide

De wasmachine van Ardien werkt niet goed meer. Iedere keer als ze de machine inschakelt, verbreekt de aardlekschakelaar de stroom.

Vraag 2a:
Waarvoor dient de aardlekschakelaar?
Let op meerdere antwoorden kunnen goed zijn.
A
Een aardlekschakelaar meet de stroomsterkte wat van de meterkast gaat en weer terug komt.
B
De aardlekschakelaar voert de lekstroom af naar de aarde
C
Een aardlekschakelaar beschermt de mens tegen een elektrische schok
D
Een aardlekschakelaar schakelt uit als hij een afwijking meet van 16 ampère

Slide 4 - Quiz

De wasmachine van Ardien werkt niet goed meer. Iedere keer als ze de machine inschakelt, verbreekt de aardlekschakelaar de stroom.

Vraag 2c:
Waarom kan het geen overbelasting zijn?
A
Bij overbelasting wordt de hoofdschakelaar uitgeschakeld
B
Bij overbelasting raakt de plusdraad de mindraad
C
Bij overbelasting heb je altijd brand
D
Bij overbelasting word één groep uitgeschakeld

Slide 5 - Quiz

De wasmachine van Ardien werkt niet goed meer. Iedere keer als ze de machine inschakelt, verbreekt de aardlekschakelaar de stroom.

Vraag 2b:
Wat kan er aan de hand zijn?
A
In de wasmachine maakt de plusdraad contact met de buitenkant
B
De wasmachine is niet op een stopcontact aangesloten
C
De wasmachine staat op een verkeerde plaats
D
In de wasmachine maakt de plusdraad contact met de mindraad

Slide 6 - Quiz

De meterkast
Hoofdkabel => Komt stroom binnen
Energiemeter=> hoeveel stroom verbruikt je?
Aardlekschakelaar
  • Meet het verlies (lekkage) van stroom
  • I > 30 mA => alles uit
Randaarde: => voert de stroom af via stopcontact mét randaarde
Zekeringen/groepen
  • om overbelasting te voorkomen
  • I > 16 A => zekering van die groep uit


Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Vraag 3

Wat betekend dit logo
A
Er zit twee keer zoveel isolatie in het apparaat
B
Dit is het symbool voor aarding
C
Een CE-keurmerk dat voldoet aan de Europese veiligheidsnorm
D
Het apparaat is dubbel geïsoleerd

Slide 9 - Quiz

Ampèremeter
Voltmeter

Slide 10 - Slide

  Serieschakeling     &     Parallelschakeling
Stroomsterkte:
  • Stroomsterkte overal gelijk
  • Stroomtot = stroom1 = stroom2

spanning:
  • Spanning verdeeld zich
  • Spanningtot = Spanning1 + Spanning2 


Weerstand:
  • Totale weerstand (vervangingsweerstand) tel je bij elkaar op
  • Vervangingsweerstand = weerstand1 +          weerstand2 + weerstand3
Stroomsterkte:
  • stroomsterkte verdeelt zich over de stroomkringen
  • Stroomtot = stoom1 + stroom2 + stroom3

spanning:
  • Spanning is gelijk per stroomkring
  • spanningtot = spanning1 = spanning2 = ....


Weerstand:
  • de vervangingsweerstand kun je niet zomaar bij elkaar optellen
  • Vervangingsweerstand = spanningtot : stroomtot

Slide 11 - Slide

Vraag 6
Drie weerstanden zijn in serie geschakeld. R1 = 2 Ω, R2 = Ω  en R3 = 7 Ω . Bereken de vervangingsweerstand. Doe dit aan de hand van het schema.





Gegeven: (1,5 pnt)
* R1 = ..... Ω ; R2 = ..... Ω ; R3 = ..... Ω
  • R1 = 2 Ω ; R2 = 4 Ω ; R3 = 7 Ω
Gevraagd:
  • Vervangingsweerstand = ? Ω
Formule: (1 pnt)
  • Vervangingsweerstand = R1 + R2 + R3

Berekening: (1 pnt)
  • Vervangingsweerstand = 2 + 4 + 7

Antwoord: (1 pnt)
  • Vervaningsweerstand = 13 Ω

Slide 12 - Slide

Vermogen

Slide 13 - Slide

Vermogen berekenen

Slide 14 - Slide

Vraag 1
Bekijk de afbeelding. Op een fietslampje staat 3 W. De fietsdynamo geeft een spanning van 5 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door het lampje? 

Gegeven: (1 pnt)
* Vermogen = ..... W
*Spanning = ..... V
  • Vermogen = 3 W
  • Spanning = 5 V
Gevraagd:
  • stroomsterkte = ? A (Ampère)

Formule: (1 pnt)
  • vermogen = spanning × stroomsterkte =>
  • stroomsterkte = vermogen : spanning

Berekening: (1 pnt)
  • Stroomsterkte = 3 : 5 

Antwoord: (1 pnt)
  • Stroomsterkte = 0,6 A 

Slide 15 - Slide

Vraag 6c:

Wat kun je zeggen over een serieschakeling?
Let op: meerdere antwoorden kunnen juist zijn.
A
De spanning is overal gelijk in de stroomstroomkring
B
De totale stroomsterkte is de stroomsterkte van weerstand 1, 2 en 3 bij elkaar opgeteld
C
De totale spanning in de spanning van de weerstand 1, 2 en 3 bij elkaar opgeteld
D
De stroomsterkte is overal gelijk in de stroomkring

Slide 16 - Quiz

Type magneten

Permanente magneet => Is altijd magnetisch


Elektromagneet => Wordt magnetisch wanneer er stroom door de spoel loopt





Slide 17 - Slide

Een eenvoudige elektromagneet bestaat uit een spoel waar stroom doorheen gaat en een ijzeren kern


De kern zorgt voor een sterker magneetveld. Door de ijzeren kern gaat geen stroom.
Spoel
Weekijzeren kern

Slide 18 - Slide

Vraag 9:
Bekijk de afbeelding. De machine op de afbeelding maalt sloopauto’s in kleine stukjes. Met een elektromagneet worden de materialen daarna weer gescheiden.
Wat is het belangrijkste voordeel van een elektromagneet ten opzichte van een gewone magneet?

A
Een elektromagneet werkt alleen als hij warm wordt
B
Een elektromagneet altijd sterker is dan een gewone magneet
C
Een elektromagneet kun je aan en uit zetten
D
Een elektromageneet trekt plastic en rubber aan en een gewone magneet trekt ijzer aan

Slide 19 - Quiz

Relais (startmotor auto)
  • Maakt gebruik van een elektromagneet.
  • Is een schakelaar op afstand
  • Als er stroom door loopt, wekt dit een magnetisch veld op
  • Je hebt 2 stroomkringen nodig. 

Slide 20 - Slide

Uitleg Reedcontact
  • Wordt gebruikt als schakelaar / sensor
  • schakelaar die werkt op een magneet
  • Magneet bij reedcontact => gesloten contact => stroom

  • Toepassingen:
    - positie/niveau sensor
    - fietscomputer/ km-teller
      - inbraakalarm raam

Slide 21 - Slide

De fietsdynamo 

Een permanente magneet beweegt langs de spoel en magnetiseert een weekijzerenkern.

Als de dynamo wordt aangedreven, begint de magneet te draaien. => daardoor gaat er wisselstroom lopen in de spoel 

=> zo werkt elke elektriciteitscentrale

LET OP => ALTIJD WISSELSTROOM

Slide 22 - Slide

Vraag 4:
In een stroomkring moet de stroom aan- en afgevoerd worden naar de stroombron. Toch heeft een fietsdynamo maar één draad.

Hoe komt dit?
A
De stroom heeft maar 1 draad nodig omdat het fietslampje weinig stroom verbruikt
B
De andere leiding/draad is de fiets zelf
C
De dynamo maakt gelijkstroom en die heeft maar 1 draad nodig
D
Het lampje heeft geen stroom nodig, dus een tweede draad is niet nodig

Slide 23 - Quiz

Vraag 5:
In een adapter wordt de spanning van het stopcontact (230 V) veranderd naar de spanning die nodig is voor je mobiel (5 V).

Wat is het belangrijkste onderdeel van die adapter om die spanning te veranderen?
A
De aansluitpennen
B
De weerstand
C
De transfomator
D
De dubbele isolatie

Slide 24 - Quiz

De transformator
Transformeert (veranderd) de spanning: Stopcontact 230 V, maar telefoon moet 5 V hebben, Ai....

De transformator kan de spanning veranderen (transformeren).
Hij kan de spanning omhoog brengen en omlaag brengen.
Een ideale transformator is een transformator zonder energie verlies

Slide 25 - Slide

Condensator
Dynamo
Transistor

Slide 26 - Slide

Automatische schakelingen
  1. De SENSOR:  weerstanden die reageren op licht (LDR) / temperatuur (NTC)
  2. De VERWERKER: Beslist of er iets gebeurd: Relais en Transistor
  3. De ACTUATOR: voert de actie uit: motor die deur opent, lamp / verwarming aan doet

  • Condensatoren: soort oplaadbare batterij (tijdelijk energieopslag)

Slide 27 - Slide

NTC
Negative Temp. Coëfficient





  • Reageert op temperatuur
  • Temperatuur omhoog =>
                         weerstand omlaag
LDR
Light dependent resistant





  • Reageert op licht
  • Meer Licht =>                                            weerstand omlaag

Slide 28 - Slide

Diode en LED
Diode: 
  • Schakelonderdeel dat één kant stroom doorlaat!

Led: 
  • is een diode die licht uitzendt
  • light emitting diode
  • Wordt vaak gebruikt als controlelampjes

Slide 29 - Slide

Transistor
Transistor heeft 3 aansluitpunten:
* Basis
* Collector
* Emitter

UIT: Geen stroom op Basis => geen stroom van Collector naar Emitter

AAN: Stroom op Basis => stroom gaat lopen van Collector naar Emitter

Slide 30 - Slide

Vraag 8:
Een molenaar wil het aantal omwentelingen van de wieken op een grote display weergeven. Daarom heeft hij op de as van de molen een magneetje vastgemaakt. Een sensor telt het aantal omwentelingen en geeft dat door aan een elektronische schakeling. Die zorgt ervoor dat de cijfers op de display juist zijn.
Welk apparaatje zit er in de sensor?
A
Een LDR
B
Een NTC
C
Een relais
D
Een reedcontact

Slide 31 - Quiz

Vraag 9: A B

Wat is het elektotechnische
symbool van een reedcontact. C D
A

Slide 32 - Quiz

Vraag 10:
Vul de juiste woord op de juiste plek. Kies uit: Emitter, Base en Collector.
Een transistor heeft drie aansluitpunten, de basis, de collector en de emitter.
De kleine stroom die door de ... loopt, bepaalt dat er stroom gaat lopen van ... naar ... .
A
Emitter, Base, Collector
B
Base, Collector, Emitter
C
Collector, Emitter, Base
D
Base, Emitter, Collector

Slide 33 - Quiz

Vraag 7:
In de kelder wil Arjan dat het licht aangaat als hij binnengaat vanuit de keuken. Hij maakt een schakeling die reageert op de lichtintensiteit.

Welke weerstand moet hij dan gebruiken?
A
Een transistor
B
Een NTC
C
Een relais
D
Een LDR

Slide 34 - Quiz

Kleurcodering: Binas 11 
Reken uit hoe groot bovenstaande weerstand is?
  • geel 
  • paars 
  • rood 
  • 4,7 kΩ 

Slide 35 - Slide

Vraag 11a:
In de afbeelding zie je weerstand met een kleurcode.

Gebruik tabel 11 om de kleurcode (bruin - zwart - geel) om te zetten naar de juiste waarde in kΩ (kilo-ohm).
A
0,82 kΩ
B
1 kΩ
C
4 kΩ
D
100 kΩ

Slide 36 - Quiz

Vraag 11b
Een weerstand kun je ook uitrekenen met behulp van een formule.


Piet heeft een schakeling aangesloten op 12 Volt en er loopt een stroomsterkte door van 0,5 Ampère. Hoe groot is de weerstand van het lampje?

Doe dit volgens het stappenplan:

Gegeven: 
  • Spanning = 12 V
  • Stroomsterkte = 0,5 A
Gevraagd:
  • Weerstand = ? Ω (Ohm)

Formule: (1 pnt)
  • Weerstand = spanning : stroomsterkte

Berekening: (1 pnt)
  • Weerstand = 12 : 0,5 

Antwoord: (1 pnt)
  • Weerstand = 24 Ω (Ohm)

Slide 37 - Slide

Weerstand berekenen:

Weerstand = spanning : stroom
        [Ω]             [W]          [A]

Een televisie is aangesloten op de huisinstallatie. 
De weerstand is 200 Ω. 
Bereken de stroomsterkte door de televisie. 
Laat je berekening zien. 
Gegevens:
  • weerstand = 200 Ω
  • Spanning = 230 V
Gevraagd:
  • Stroomsterkte = ? A
Formule:
  • Weerstand = spanning : stroom
  • Stroom = spanning : weerstand
Uitwerking:
  • Stroom = 230 : 200 = 1,5 A
Antwoord:
  • Stroomsterkte is 1,15 Ampère

Slide 38 - Slide

Condensator (soort oplaadbare batterij)
Condensator                                                          Symbool
Een soort oplaadbare batterij: Schakelonderdeel waarin een kleine hoeveelheid elektrische energie kan worden opgeslagen.

Slide 39 - Slide

Een schakeling met condensator
Als je de schakelaar
sluit => laadt de condensator op. 

Als je daarna de schakelaar opent => lamp blijft even branden op de stroom van de condensator.

Slide 40 - Slide

Condensator

Slide 41 - Slide

Nog vragen???
Morgen is de oefentoets, neem een opgeladen laptop mee (evt oplader meenemen!!!)

Slide 42 - Slide