V1 Chapitre 5 Révision

Chapitre 5 Mon temps libre
Révision
1 / 33
next
Slide 1: Slide
FransWOMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Chapitre 5 Mon temps libre
Révision

Slide 1 - Slide

Wat is het onderwerp van chapitre 5?

Slide 2 - Open question

Welke Franse woorden ken je nog die te maken hebben met vertellen over je familie? Noem er drie

Slide 3 - Open question

Geef antwoord in het Frans op de volgende vraag:
C'est quand ton anniversaire?

Slide 4 - Open question

Geef antwoord in het Frans op de volgende vraag
Tu as passé de bonnes vacances?

Slide 5 - Open question

Hoe vormt men de passé composé?
A
Met een bijvoeglijk naamwoord
B
Met alleen een hulpwerkwoord
C
Met alleen een deelwoord
D
Met een hulpwerkwoord en een deelwoord

Slide 6 - Quiz

Wat is een voorbeeld van een voltooid deelwoord?
A
Manger - mangé
B
Manger - mange
C
Manger - mangeons
D
Manger - mangent

Slide 7 - Quiz

Welk hulpwerkwoord wordt vaak gebruikt?
A
Être
B
Faire
C
Avoir
D
Aller

Slide 8 - Quiz

Wat is de basisstructuur van de passé composé?
A
Voltooid deelwoord + Bijwoord
B
Hulpwerkwoord + Infinitief
C
Onderwerp + Infinitief
D
Hulpwerkwoord + Voltooid deelwoord

Slide 9 - Quiz

Zet in de passé composé:
Je (habiter) à Assen.

Slide 10 - Open question

Zet in de passé composé:
Mon frère (fêter) son anniversaire.

Slide 11 - Open question

Zet in de passé composé:
Nous (jouer) au foot.

Slide 12 - Open question

Geef antwoord op de vraag:
Tu es comment? (haarkleur en oogkleur)

Slide 13 - Open question

 Chapitre 5 het bijvoelijk naamwoord

Slide 14 - Slide

Geef antwoord op de volgende vraag
Tu es grand(e) ou petit(e)?

Slide 15 - Open question

Welke regels zijn er voor het bijvoeglijk naamwoord in het Frans?

Slide 16 - Open question

Hoe maak je een bijvoeglijk naamwoord vrouwelijk?
A
Voeg een -s toe
B
Verander -eux naar -euse
C
Verander -f naar -ve
D
Voeg een -e toe

Slide 17 - Quiz

Hoe maak je bijvoeglijk naamwoord meervoud?
A
Voeg een -s toe
B
Voeg een -x toe
C
Verander -e naar -es
D
Verander -al naar -aux

Slide 18 - Quiz

Wat is de meervoudsvorm van 'petit'?
A
petits
B
petitess
C
petitaux
D
petite

Slide 19 - Quiz

Welke drie bijvoeglijke naamwoorden hebben bijzondere vormen?

Slide 20 - Open question

Wat is de juiste vorm van 'beau' voor vrouwelijk?
A
bel
B
belleux
C
belle
D
beaux

Slide 21 - Quiz

Son frère est _____ (mooi).
A
beau
B
beaux
C
belle
D
belles

Slide 22 - Quiz

C'est la _________ (nieuw) voisine.
A
nouveau
B
nouveaux
C
nouvelle
D
nouvelles

Slide 23 - Quiz

Les devoirs sont __________ (moeijlijk).
A
difficile
B
difficilee
C
difficiles
D
difficilees

Slide 24 - Quiz

Ma trousse est ______ (bleu)
A
bleu
B
bleue
C
bleus
D
bleues

Slide 25 - Quiz

Ses cousines sont _________ (grappig) !
A
drôle
B
drôlee
C
drôles
D
drôlees

Slide 26 - Quiz

La maison est ______ (oud)

Slide 27 - Open question

Ton jean est _______ (mooi).

Slide 28 - Open question

Les cheveux de mon père sont ______ (zwart).

Slide 29 - Open question

J'ai de _______ (goede) notes !

Slide 30 - Open question

"Mijn broer heeft bruin haar."

Slide 31 - Open question

"Hij heeft groene ogen."

Slide 32 - Open question

"Mijn nicht is klein."

Slide 33 - Open question