051124 NT2 Scheidbare werkwoorden TC A2 thema 3

Scheidbare werkwoorden
1 / 35
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Scheidbare werkwoorden

Slide 1 - Slide

 Scheidbare werkwoorden
Een scheidbaar werkwoord = 
een werkwoord  + extra woord samen.  
Voorbeeld: schoon + maken = schoonmaken.

Slide 2 - Slide

 Scheidbare werkwoorden
opladen = op + laden
opruimen = op + ruimen
uitleggen = uit + leggen
inschrijven = in + schrijven
oversteken = over + steken

Slide 3 - Slide

af + wassen =...........

Slide 4 - Open question

mee + nemen =........

Slide 5 - Open question

op + bellen = ...............

Slide 6 - Open question

Wat is een scheidbaar werkwoord?
A
maken
B
schoon
C
schoonmaken

Slide 7 - Quiz

Wat is een scheidbaar werkwoord?
A
op
B
hangen
C
ophangen

Slide 8 - Quiz

Wat is een scheidbaar werkwoord?
A
in
B
vullen
C
invullen

Slide 9 - Quiz

scheidbare werkwoorden in een zin
Ik laad mijn telefoon op.
De docent legt de woorden uit.
Wij ruimen de klas op. 

Slide 10 - Slide

scheidbare werkwoorden in een zin
regel:
 werkwoord op de tweede plaats,
extra woord achteraan de zin. 

Slide 11 - Slide

Zoek het scheidbare werkwoord in de zin.

Slide 12 - Slide

Wij nodigen de buren uit voor het feest.
A
nodigen
B
de buren
C
het feest
D
nodigen uit

Slide 13 - Quiz

Het meisje trekt haar kleren aan.
A
trekt aan
B
het meisje
C
trekt
D
haar kleren

Slide 14 - Quiz

Zij doet de lamp aan.
A
zij
B
doen
C
doet aan
D
de lamp

Slide 15 - Quiz

Ik ruim de kleding op.
A
ruim
B
op
C
de kleding
D
ruim op

Slide 16 - Quiz

Hij staat 's ochtends om 8 uur op.
A
staat
B
staat op
C
op
D
's ochtends

Slide 17 - Quiz

Wat is het hele werkwoord?

Slide 18 - Slide

Ik doe de computer uit.
A
uitdoen
B
doen
C
de computer
D
uit

Slide 19 - Quiz

Zij maakt de keuken schoon.
A
de keuken
B
maken
C
schoon
D
schoonmaken

Slide 20 - Quiz

De jongen pakt zijn cadeau uit.
A
pakken
B
uitpakken
C
jongen
D
uit

Slide 21 - Quiz

Ik hang mijn jas op aan de kapstok.
A
ophangen
B
hangen
C
aanhangen
D
kapstok

Slide 22 - Quiz

De docent geeft elke dag les.
A
lesgeeft
B
docent
C
lesgeven
D
geven

Slide 23 - Quiz

Maak de zinnen.

Slide 24 - Slide

Hij.............de wc ........
(schoonmaken)

Slide 25 - Open question

Zij.........haar jas .......
(ophangen)

Slide 26 - Open question

Ik.............om 8 uur........
(opstaan)

Slide 27 - Open question

Wij..........het licht..............
(aandoen)

Slide 28 - Open question

Maak een zin met:
opruimen

Slide 29 - Open question

Maak een zin met:
aankleden

Slide 30 - Open question

Maak een zin met:
meenemen

Slide 31 - Open question

2 werkwoorden in 1 zin!

Ik ga mijn kamer opruimen.
De docent gaat de som uitleggen.
Je moet bij het zebrapad oversteken.

Het hele scheidbare werkwoord staat achteraan. 

Slide 32 - Slide

voltooid deelwoord
Ik heb mijn kamer opgeruimd.
Mijn oma heeft een cadeau meegenomen.
De docent heeft de som uitgelegd.

voltooid deelwoord: het extra woordje staat vooraan in het voltooid deelwoord.

Slide 33 - Slide

Schrijf een scheidbaar werkwoord op.

Slide 34 - Mind map

Weet je nu wat scheidbare werkwoorden zijn?
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll