Les 26 taal PABO, 13 mei 2026

Les 26 | Taal OK.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 26 | Taal OK.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open question

This item has no instructions

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  • Ik herhaal je wat taalbeschouwing is.
  • Ik herhaal de taalbeschouwingsstrategieën.
  • Ik herhaal de principes van woordenschatverwerving.
  • Ik herhaal de foutenanalyse van werkwoordspelling.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Tijdens een klassengesprek zegt een leerling:
“Hun hebben gewonnen.”

De leerkracht gebruikt deze uitspraak om met de klas te bespreken:
waarom sommige mensen dit zeggen,
wat binnen het Algemeen Nederlands gebruikelijk is,
en hoe taalgebruik kan verschillen per situatie of omgeving.

Op welke aspecten van taalbeschouwing reflecteert de leerkracht in deze situatie vooral?

A. Alleen op taalverandering en taalsysteem
B. Vooral op taalnormen en taalvariatie
C. Alleen op taalgebruik en grammatica
D. Vooral op taalgebruik en taalverandering

Slide 5 - Open question

De leerkracht bespreekt wat binnen het Algemeen Nederlands als correct geldt (taalnormen) én dat taalgebruik kan verschillen tussen groepen of situaties (taalvariatie).
Een leerkracht schrijft de volgende zinnen op het bord:
Loop jij naar school?
Jij loopt naar school.

De leerlingen ontdekken dat in de vragende zin de persoonsvorm vóór het onderwerp staat. Daarna zegt een leerling:
“Dus in een vragende zin staat de persoonsvorm meestal vooraan.”

Van welke taalbeschouwingsstrategie maakt de leerling vooral gebruik?

A. Analyseren, omdat de leerling woorden opsplitst in betekenisvolle delen.
B. Generaliseren, omdat de leerling vanuit voorbeelden een algemene regel formuleert.
C. Relateren, omdat de leerling relaties legt tussen woorden en zinnen.
D. Herordenen, omdat de leerling woorden opnieuw ordent in een andere zin.

Slide 6 - Open question

De leerling leidt uit meerdere voorbeelden een algemene taalregel af. Dat hoort bij de strategie generaliseren.
Een leerkracht introduceert het woord “muis”. Eerst laat ze een echte afbeelding van een muis zien. Daarna bespreekt ze met de klas dat een muis bij de categorie dieren hoort, net als een hamster en een konijn. Vervolgens vertelt ze dat het woord muis ook gebruikt wordt voor een computermuis.

Welke volgorde van principes van woordenschatverwerving past het best bij deze les?

A. Netwerkopbouw → labelen → categoriseren
B. Labelen → netwerkopbouw → categoriseren
C. Categoriseren → labelen → netwerkopbouw
D. Labelen → categoriseren → netwerkopbouw

Slide 7 - Open question

Eerst koppelen leerlingen het woord muis aan een concreet dier (labelen).
Daarna leren ze dat een muis onderdeel is van een grotere groep dieren (categoriseren).
Vervolgens ontdekken ze dat muis meerdere betekenissen kan hebben afhankelijk van de context (netwerkopbouw).
Een leerling schrijft de volgende zin op:

“Gisteren loopte hij snel naar huis.”

Welke combinatie van problemen met werkwoordspelling zie je vooral in deze zin?

A. Problemen met het herkennen van de tijd en het bepalen van de uitgang
B. Problemen met het herkennen van het onderwerp en de ik-vorm
C. Problemen met onvoldoende woordenschat en gewone spellingregels
D. Problemen met het herkennen van de werkwoordsvorm en het onderwerp

Slide 8 - Open question

De leerling gebruikt een verkeerde tijd (loopte i.p.v. liep) én bepaalt de uitgang foutief door een onjuiste verleden tijdsvorm te maken.
“Hij gewerkd heel consciensieus aan zijn spreekbeurt.”

Vraag:
Welke soorten fouten komen in deze zin voor?

A. Alleen fouten in gewone spellingregels
B. Alleen fouten in werkwoordsvormen
C. Zowel een fout in de werkwoordspelling als een fout door onvoldoende woordenschat
D. Zowel een fout in het herkennen van het onderwerp als een fout in de ik-vorm

Slide 9 - Open question

gewerkd → fout bij het bepalen van de uitgang van het voltooid deelwoord (gewerkt).
consciensieus → fout door onvoldoende woordenschat/moeilijk woordbeeld (consciëntieus = zorgvuldig, nauwkeurig).
Instructie.
Taal OK.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer wat creatief schrijven​ inhoud.
  2. Ik leer de steldidactiek die voldoet aan de kerndoelen.
  3. Ik leer Taalronde JK → OK​.
  4. Ik leer wat de begeleiding van het schrijfproces​ inhoud.
  5. Ik leer feedback te geven op schrijfproducten.



Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Creatief schrijven.
Gemotiveerd stellen;
De inhoud bepaalt of kinderen gemotiveerd zijn om te leren (Van Norden, 2017).
Gebruik de ervaringswereld van het kind zelf;
Gebruik de zaakvakken;
Gebruik de kinder- en jeugdliteratuur



Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Creatief schrijven.
  1. Levensechte, motiverende opdrachten​
  2. Duidelijke opdrachtformulering​
  3. Voorbeeldteksten​
  4. Duidelijke eisen vooraf​
  5. Gerichte instructie​
  6. Combinatie van stellen en andere vaardigheden​
  7. Gericht op het schrijfproces: plannen, schrijven, revisie, correctie​
  8. Voldoende tijd​
  9. Modeling van de leerkracht en leerlingen (sociaal)​
  10. Schrijfkaders
  11. Reflecteren

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Stelvaardigheden.
Stelvaardigheden;
  1. Bepalen doel, publiek, tekstsoort​
  2. Verzamelen, selecteren ordenen inhoud​
  3. Structureren van de tekst​
  4. Formuleren (stileren / coderen)​
  5. Reviseren (begrijpend lezen)​
  6. Verzorgen van de tekst

(3 en 4 evt. omgedraaid afhankelijk van beeldhouwers en ingenieurs)

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Instructieprincipes.
Instructieprincipes;
  1. modeling (denkstappen hardop voordoen)​
  2. procesgericht​
  3. gerichte instructie ​
  4. duidelijke eisen vooraf​
  5. gebruik van voorbeelden​
  6. planmatig schrijven​
  7. combinatie van lezen en stellen

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Taalronde.
Iedereen kan schrijven​.
Een aantal stappen in een vaste volgorde​ → welke waren dat?
Vertellen, luisteren, schrijven en lezen in samenhang​.
Verschillen JK → OK​.
Methodelessen​.
Van taalrondes naar methodeles.
Van methodeles naar taalronde.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Begeleiding tijdens het schrijven.
Het geven van begeleiding tijdens een stelopdracht is belangrijk!
  • tekst tot zo ver als hij af is hardop nalezen; ​
  • het kind nog eens laten vertellen wat hij bedoelt;​
  • hierop doorvragen;​
  • de schrijfopdracht (doel en eventuele criteria) nog eens terughalen;​
  • samen hardop schrijven: alternatieve zinnen of zinsdelen mondeling formuleren;​
  • suggesties doen voor aanvullingen. 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Kerndoelen.
Zie slide 19 en 20 van bijeenkomst 2 voor de kerndoelen.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Feedback.
Zonder je tekst na te lezen, te bespreken met een medelezer en te herzien, leer je niet schrijven. ​

Klassikaal bespreken met instemming van de schrijver. ​
Model en geef duidelijke instructies als kinderen elkaar feedback geven
Feedback-op-maat​ geven
Zone van naaste ontwikkeling​
Kies een focus​
Herschrijfmoment geven

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Revisiekwaliteit.
Bij het verbeteren van teksten (revisie) gaat het om de kwaliteit van feedback die je geeft of ontvangt.

1. Lagere-orde-feedback vs. hogere-orde-feedback (Key, 1990)
Lagere-orde-feedback: Gaat over taal en vorm;
spelling
grammatica
zinsbouw
Voorbeeld: “Hier staat een spelfout.”

Hogere-orde-feedback: Gaat over de inhoud en structuur;
logische opbouw
duidelijkheid van ideeën
argumentatie
Voorbeeld: “Je alinea is niet duidelijk opgebouwd; wat is je hoofdgedachte?”

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Revisiekwaliteit.
2. Directieve vs. faciliterende feedback (Straub, 1996)
Directieve vorm: De feedbackgever zegt wat er moet veranderen;
sturend
concreet advies
Voorbeeld: “Schrijf deze zin anders: begin met het onderwerp.”

Faciliterende vorm: De feedbackgever helpt de schrijver zelf nadenken;
vragen stellen
leerling aan het denken zetten
Voorbeeld: “Ik vind deze zin lastig te volgen. Wat bedoel je precies met …?”

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Revisiekwaliteit.
3. Verband met eigen niveau (Bruins, 2019): Hoe beter je zelf bent in schrijven, hoe beter je vaak ook feedback kunt geven.
Studenten met meer taalvaardigheid geven meestal:
inhoudelijk betere feedback
meer hogere-orde-feedback

Simpel gezegd: je eigen vaardigheid beïnvloedt de kwaliteit van je feedback.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer wat creatief schrijven​ inhoud.
  2. Ik leer de steldidactiek die voldoet aan de kerndoelen.
  3. Ik leer Taalronde JK → OK​.
  4. Ik leer wat de begeleiding van het schrijfproces​ inhoud.
  5. Ik leer feedback te geven op schrijfproducten.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Een leerkracht wil het creatief schrijven van haar groep 7 verbeteren. Ze laat de kinderen een verhaal schrijven over “leven op een andere planeet”. De opdracht is gekoppeld aan het zaakvak aardrijkskunde en ze gebruikt een voorbeeldtekst. De kinderen krijgen een schrijfplan (begin-midden-eind) en werken in duo’s om hun tekst te verbeteren. Tijdens het proces laat de leerkracht zien hoe zij haar eigen tekst herschrijft.

Welke keuze beschrijft het beste waarom deze aanpak effectief is volgens de theorie van creatief schrijven (Van Norden, 2017 en verwante inzichten)?

A. De opdracht is effectief omdat leerlingen vooral veel tijd krijgen om vrij te schrijven zonder sturing, wat hun creativiteit maximaliseert.
B. De opdracht is effectief omdat de leerkracht meerdere voorwaarden voor gemotiveerd en procesgericht schrijven combineert, zoals betekenisvolle context, modeling en aandacht voor het schrijfproces.
C. De opdracht is effectief omdat het gebruik van voorbeeldteksten ervoor zorgt dat leerlingen precies leren hoe een goed verhaal eruit moet zien en dit kopiëren.
D. De opdracht is effectief omdat het vooral draait om samenwerking tussen leerlingen, waardoor individuele schrijfvaardigheid minder belangrijk wordt.

Slide 23 - Open question

Deze aanpak is sterk omdat meerdere belangrijke principes worden gecombineerd:
Levensechte en betekenisvolle context (zaakvak + ruimte-thema)
Motiverende opdracht (aansluiting bij belevingswereld)
Procesgericht werken (plannen, schrijven, revisie)
Modeling door de leerkracht
Samen leren en reflecteren
Een leerkracht wil de stelvaardigheden van leerlingen in groep 8 verbeteren. Ze laat eerst zien hoe zij zelf een tekst schrijft over klimaatverandering door hardop haar denkstappen te verwoorden. Daarna krijgen leerlingen een duidelijke opdracht met eisen en een voorbeeldtekst. De leerlingen bepalen eerst hun doel en publiek, verzamelen informatie, maken een schrijfplan en herschrijven hun tekst na feedback.

Welke analyse past het beste bij deze aanpak vanuit de theorie over stelvaardigheden en instructieprincipes?

A. De aanpak is vooral effectief omdat leerlingen eerst leren formuleren en pas daarna nadenken over de inhoud, waardoor taalvaardigheid centraal staat.
B. De aanpak is effectief omdat het schrijfproces volledig lineair wordt doorlopen en leerlingen stap voor stap zonder terug te keren naar eerdere fasen werken.
C. De aanpak sluit aan bij een procesgerichte benadering waarin modeling, duidelijke instructie en het doorlopen van verschillende schrijfstadia (zoals plannen, structureren en reviseren) centraal staan.
D. De aanpak is effectief omdat het gebruik van voorbeeldteksten voorkomt dat leerlingen eigen keuzes hoeven te maken, waardoor fouten worden geminimaliseerd.

Slide 24 - Open question

Deze aanpak is sterk omdat het past bij procesgericht schrijven en instructieprincipes:

Modeling: leerkracht denkt hardop voor
Planmatig werken: doel, publiek, inhoud bepalen
Schrijfproces: plannen → schrijven → reviseren → verzorgen
Duidelijke instructie en voorbeelden
Welke combinatie van kenmerken hoort het beste bij het concept “taalronde” binnen het onderwijs in creatief schrijven?

A. Een vaste lesstructuur waarin leerlingen individueel een tekst schrijven, waarbij spreken en luisteren worden uitgesloten om focus op schrijfvaardigheid te vergroten.
B. Een cyclisch en sociaal schrijfproces waarin spreken, luisteren, schrijven en lezen met elkaar verbonden zijn, en waarin alle leerlingen in principe kunnen schrijven.
C. Een methode waarbij de leerkracht vooral eindproducten beoordeelt en leerlingen vooraf zo min mogelijk begeleiding krijgen om zelfstandigheid te stimuleren.
D. Een didactisch model waarin taal vooral wordt aangeleerd via grammatica-oefeningen en pas daarna wordt toegepast in vrije schrijfopdrachten.

Slide 25 - Open question

Een taalronde kenmerkt zich door:

Iedereen kan schrijven
Integratie van spreken, luisteren, schrijven en lezen
Sociaal en interactief schrijfproces
Cyclisch werken (ideeën ontstaan en worden herzien in interactie)
Welke combinatie van begrippen en didactische principes past het beste bij effectief leren schrijven volgens de gegeven theorie?

A. Schrijven is een sociaal en cyclisch proces waarin revisie essentieel is, waarbij feedback gericht wordt gegeven binnen de zone van naaste ontwikkeling en leerlingen leren door herzien en herstructureren.
B. Schrijven is vooral een individueel proces waarbij leerlingen hun tekst pas aan het eind laten beoordelen; feedback is vooral gericht op spellingcorrecties om fouten te voorkomen.
C. Schrijven is een lineair proces waarin leerlingen eerst volledig schrijven en daarna klassikaal hun tekst presenteren zonder verdere aanpassingen of herschrijfmomenten.
D. Schrijven is vooral effectief wanneer leerlingen elkaar vrij feedback geven zonder instructie van de leerkracht, zodat zij zelfstandig leren bepalen wat goed is.

Slide 26 - Open question

Deze theorie benadrukt dat leren schrijven alleen effectief is als:

er revisie en herziening plaatsvindt
feedback gericht en op maat is
de leerkracht ondersteunt binnen de zone van naaste ontwikkeling
er een herschrijfmoment is
feedback vaak klassikaal of begeleid wordt ingebed
In een groep 8 laten leerlingen hun betoog over “moeten huiswerkvrije scholen bestaan?” aan elkaar lezen. Leerling A geeft feedback aan leerling B. Hij zegt:
“Je hebt een spelfout in zin 3. En je moet je alinea anders opbouwen, want je argument komt pas te laat. Waarom vind je eigenlijk dat huiswerk slecht is?”

De leerkracht bespreekt daarna met de klas hoe verschillende soorten feedback bijdragen aan betere teksten en hoe leerlingen elkaar kunnen helpen verbeteren.

Welke analyse van de feedback van leerling A is het meest correct volgens de theorie over revisiekwaliteit en feedback (Key, Straub, Bruins)?

A. De feedback is vooral lager-orde en directief, en daardoor minder geschikt, omdat leerlingen vooral hogere-orde en faciliterende feedback moeten geven om echt te leren schrijven.
B. De feedback is onjuist, omdat leerlingen geen feedback op elkaars werk mogen geven tenzij ze dezelfde schrijfvaardigheid hebben.
C. De feedback is volledig hoger-orde en faciliterend, omdat de leerling alleen vragen stelt over de inhoud en geen fouten aanwijst.
D. De feedback bevat zowel lagere-orde als hogere-orde feedback en combineert directieve en faciliterende vormen, wat kan bijdragen aan tekstverbetering en denkstimulatie.

Slide 27 - Open question

Leerling A laat een mix van feedbackvormen zien:

Lagere-orde: spelfout (taal/vorm)
Hogere-orde: opbouw en argumentatie (inhoud/structuur)
Directief: “je moet je alinea anders opbouwen”
Faciliterend: vraag over bedoeling (“Waarom vind je…?”)

Volgens de theorie is juist die combinatie waardevol, omdat feedback zowel verbetering van tekst als denkontwikkeling ondersteunt.
De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Ik leer spellingsprincipes en -strategieën.
  • Ik leer drie didactieken voor werkwoordspelling.
  • Ik leer wat taaltoetsend en taalontwikkeld spellingsonderwijs is.
  • (Werkwoord)spelling: hoe leer je dat aan?
  • Spelling op tablet.

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 28 - Slide

This item has no instructions