Les 8 17 oktober 2026 (VO3)

Les 8 17 oktober 2026 (VO3)
1 / 39
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 13

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 8 17 oktober 2026 (VO3)

Slide 1 - Slide

Les 8 VO3

Wat gaan we vandaag doen? 

1. Hoe ging het met het huiswerk? 
2. Verder met verwijswoorden.  
3. Cursus 5 Grammatica §7 ZD Beknopte bijzin
4. Huiswerk bespreken. 
5. Afsluiting  


Slide 2 - Slide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Cursus 5 Grammatica § 5 ZD Verwijzen (verder ermee)

Slide 5 - Slide

Verschil zaken/personen
Om naar mensen te verwijzen, gebruik je:
aan wie, met wie, voor wie etc. (los dus!)
De jongen met wie ik naar school fiets, is aardig.

Om naar zaken/dingen te verwijzen, gebruik je:
waaraan, waarvoor, waarmee etc. (aan elkaar)
De fiets waarop ik naar school fiets, is gammel.

Slide 6 - Slide

daar/waar + voorzetsel of voorzetsel + wie.

Deze kater is op zoek naar een nieuw baasje ...hij op schoot mag zitten.
A
bijwie
B
waar
C
daar waar
D
bij wie

Slide 7 - Quiz

daar/waar + voorzetsel of voorzetsel + wie.

Wat vind jij van het lied ...
Nederland naar het Songfestival gaat?
A
met wie
B
dat met
C
waar mee
D
waarmee

Slide 8 - Quiz

daar/waar + voorzetsel of voorzetsel + wie.

De voormalige fabriekshal, ...
de industriële stijl werd behouden, is omgebouwd tot een hippe horecazaak.
A
waarvoor
B
waar voor
C
waarvan
D
van wie

Slide 9 - Quiz

daar/waar + voorzetsel of voorzetsel + wie.

e werkgever is niet verplicht om de dag
... jij staakt het loon door te betalen.
A
dat
B
waar op
C
waarop
D
van

Slide 10 - Quiz

Anita's ouders wonen vlakbij en ze bezoekt .... vaak
A
zij
B
hen
C
hun
D
die

Slide 11 - Quiz

Marie neemt dan iets lekkers voor... mee en bezorgt...een gezellig middag
A
hen en hun
B
hun en hen
C
ze en hun
D
hem..hem

Slide 12 - Quiz

Verwijzen - meervoud
Gebruik in het meervoud ze en zij als onderwerp. 
Als het om personen gaat, kun je ze of zij gebruiken en bij dingen gebruik je ze.

Voorbeelden:
Mijn ouders gaan naar de film, ze/zij vinden dat erg leuk.
De laptops worden niet gebruikt want ze zijn stuk.


Slide 13 - Slide

Marie neemt dan iets lekkers voor... mee en bezorgt...een gezellig middag
A
hen en hun
B
hun en hen
C
ze en hun
D
hem..hem

Slide 14 - Quiz

De-woorden en het-woorden 
Het-woorden: onzijdig (namen van landen, provincies, steden, clubs en verkleinwoorden) 

De-woorden: mannelijk of vrouwelijk 

De-woorden op de volgende uitgangen: 
-heid, -nis, -ing, -schap, -st, -te, -de, -ie, -ij, -iek, -theek, -teit, -tuur

Slide 15 - Slide

De-woord: mannelijk of vrouwelijk ?
Vrouwelijk: personen en dieren 
Mannelijk: als je het niet kan vast stellen of het mannelijk of vrouwelijk is. 

Slide 16 - Slide

Haal je medicijnen bij ... apotheek
A
de
B
het

Slide 17 - Quiz

Ik zwem liever niet in een meer, ik geef de voorkeur aan ... zwembad.
A
de
B
het

Slide 18 - Quiz

Lesdoelen
Als het goed is, weet je aan het eind van deze les:
- wat een beknopte bijzin is;
- aan welke eisen een beknopte bijzin moet voldoen om correct te zijn;

Slide 19 - Slide

Grammatica: de basis
Zinnen en zinsstructuur (herhalen)

Slide 20 - Slide

Enkelvoudige zin

  • Zin met één persoonsvorm
Samengestelde zin

  • Zin met twee of meer persoonsvormen

Slide 21 - Slide

Voorbeeld enkelvoudige zin
  • Het wordt slecht weer vandaag.
  • Ik ga vandaag naar de Action.
  • Hij kijkt veel naar Star Wars.

Slide 22 - Slide

Voorbeeld samengestelde zin
  • Het wordt vandaag mooi weer en we gaan lekker naar het strand. 
  • Hij kijkt veel naar Star Wars en schrijft daar over op zijn website.
  • De jongen liep de trap op, ging zijn kamer in en pakte een boek

Slide 23 - Slide

Samengestelde zin
  • Bestaat uit twee of meer zinnen.
  • Kunnen nevengeschikte zinnen zijn, of ondergeschikte zinnen.   

Nevengeschikt: twee of meer hoofdzinnen
Ondergeschikt: niet gelijkwaardig. Bijv. bijvoorbeeld een hoofdzin en een bijzin).
"Het meisje dat daar loopt, heet Aïsha." 
"Wat hij zegt, is niet te bewijzen."

Slide 24 - Slide


"Het meisje dat daar loopt, heet Aïsha."
A
Hz+Hz
B
Hz+BZ

Slide 25 - Quiz

"Wat hij zegt, is niet te bewijzen."
A
Bz+Hz
B
Hz+BZ

Slide 26 - Quiz

Voegwoorden
  • Voegwoorden zijn een soort cement.
  • Je kunt met voegwoorden zinnen aan elkaar plakken.

Slide 27 - Slide

 voegwoorden (nevenschikkend): 

  • en, 
  • maar, 
  • of, 
  • dan (wel), 
  • dus 
  • want

ik ga met de bus want het regent
Voegwoorden (onderschikkend): 
dat, 
voordat, 
nadat, 
tot, 
terwijl, 
als, 
toen, 
omdat, 
doordat 
zodat.

Slide 28 - Slide

Wat is een bijzin?
  • Je hebt bij een onderschikking te maken met een bijzin.
  • Een bijzin is een zinsdeel in de vorm van een zin. Deze zin heeft een eigen persoonsvorm.
  • Persoonsvorm en onderwerp staan niet naast elkaar óf er kan een zinsdeel tussen worden gezet.

Slide 29 - Slide

Cursus 5 Grammatica § 7 ZD Beknopte bijzin

Slide 30 - Slide

Wat is een beknopte bijzin?
  • Je hebt bij een onderschikking te maken met een bijzin.
  • Een beknopte bijzin is een zinsdeel waar de persoonsvorm en onderwerp is weggelaten. 
  • Het verzwegen onderwerp van zo’n beknopte bijzin kun je meestal afleiden uit de hoofdzin. 
  • Let op!

Slide 31 - Slide

Schrijf de beknopte bijzin op van de volgende zin:
'Charlene ging naar de finale na de voorrondes gewonnen te hebben.'

Slide 32 - Open question

Slide 33 - Video

Napratend over de wedstrijd, verlieten de toeschouwers het stadion.
A
Correcte zin
B
Foutieve zin

Slide 34 - Quiz

In welke zin is de beknopte bijzin correct?
A
Na de computer opnieuw opgestart te hebben, kon ik gelukkig verder met mijn verslag.
B
Na de computer opnieuw opgestart te hebben, werkte alles gelukkig weer.

Slide 35 - Quiz

Lekker in onze stoelen liggend, dronken we het koude bier.
A
Beknopte bijzin
B
Foutief beknopte bijzin

Slide 36 - Quiz

Bij school aangekomen, bleken zijn boeken nog thuis te liggen.
A
Beknopte bijzin
B
Foutief beknopte bijzin

Slide 37 - Quiz

Liggend op zijn badmat las Achmad zijn dagblad.
A
Beknopte bijzin
B
Foutief beknopte bijzin

Slide 38 - Quiz

Lesafsluiting: Huiswerk
▪ Maak wat oefentoetsen en doe wat trainingen m.b.t. Cursus 5, Grammatica §3, §5 en §7, voor de toets op 7 november over die paragrafen.
    
▪ Kies een onderwerp uit (over het thema 'ontdekkingen' om een presentatie over te geven. Bijvoorbeeld een Nederlandse, Vlaamse of Ierse uitvinding. Kijk naar Thema A, par 1 voor inspiratie.  De presentatie komt later (nog niet op 7 november). 

▪ Cursus 5 § 7 ZD Beknopte bijzin: maak opdracht 2, 3 en 4. 

Fijne vakantie en tot 7 november bij de online les. 

  

Slide 39 - Slide