V4 week 6 lesson 2

V4 Week 6 lesson 2
1 / 21
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

V4 Week 6 lesson 2

Slide 1 - Slide

GERUND?

Slide 2 - Mind map

Gerund

Slide 3 - Slide

Gerund = hele werkwoord als
zelfstandig naamwoord

Slide 4 - Slide

Wanneer gebruik je een gerund?
• Na werkwoorden waarmee je aangeeft wat je wel of niet leuk vindt 
(like, dislike, love, hate, fancy, envy)

• Na zintuigelijke werkwoorden 
(see, watch, hear, smell, feel)

• Na de specifieke werkwoorden 
avoid, consider, give up, go on, keep, manage, mind, prefer, recommend, start, stop en suggest

  • Na uitdrukkingen en voorzetsels

Wanneer je gebruik je to+ het hele werkwoord?
• Na werkwoorden die een wens uitdrukken (wish, hope, want, dream, desire)

• Na werkwoorden die een bevel uitdrukken (demand, forbid, prohibit, allow, restrict)

• Na de specifieke werkwoorden 
decide, expect, choose, hesitate, learn, refuse, manage

Slide 5 - Slide

Lees de onderstaande zin en kijk of je weet wat het is.
I like running on the street!
A
Gerund
B
to+ hele werkwoord
C
present continious
D
past simple

Slide 6 - Quiz

Lees de onderstaande zin en kijk of je weet wat het is.
I decided to go shopping today
A
Gerund
B
to + het hele werkwoord
C
present continious
D
past simple

Slide 7 - Quiz

Wanneer gebruik je to + het hele werkwoord?
A
Na voorzetsels en uitdrukkingen
B
Na werkwoorden die een bevel uitdrukken
C
Na iets wat je regelmatig doet
D
Na iets wat je van plan bent om te gaan doen.

Slide 8 - Quiz

Wanneer gebruik je de gerund?
A
Na werkwoorden die een wens uitdrukken
B
Om aan te geven dat iets op dit moment gebeurt.
C
Na specifieke woorden
D
Als iets in het verleden gebeurt is en nu nog steeds aan de gang is

Slide 9 - Quiz

Welke woordsoort is het woord "cycling" in deze zin?
"I am [cycling] to my work."
A
zelfstandig naamwoord
B
werkwoord
C
persoonlijk voornaamwoord
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 10 - Quiz

Welke woordsoort is het woord "cycling" in deze zin?
"[Cycling] is my favourite hobby."
A
zelfstandig naamwoord
B
werkwoord
C
persoonlijk voornaamwoord
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 11 - Quiz

Wat is een gerund? 
Een werkwoord dat gebruikt wordt als zelfstandig naamwoord. 

Als onderwerp van een zin. 
"Cycling is my favourite hobby."
1
Na een voorzetsel 
"He is not good at cycling. "
2
Na bepaalde uitdrukkingen / werkwoorden. 
"He enjoyed having a day off."
3

Slide 12 - Slide

Hoe maak je de gerund?
Werkwoord +ing 

De gerund lijkt dus qua vorm heel erg op de present continuous, maar dan ZONDER een vorm van 'to be'

Slide 13 - Slide

Na welke werkwoorden gebruik je een gerund (-ing vorm)?

Slide 14 - Mind map


Een gerund is een..
A
..zelfstandig naamwoord dat gebruikt wordt als een werkwoord.
B
..werkwoord dat gebruikt wordt als een zelfstandig naamwoord.

Slide 15 - Quiz

Gerund of normaal werkwoord?
"He hates [eating] cold food."
A
Gerund
B
Normaal werkwoord
C
No idea.

Slide 16 - Quiz

Uitleg
He hates [eating]  cold food. 

What does he hate?
Eating cold food. 

Slide 17 - Slide

Gerund of normaal werkwoord?
"[Eating] vegetables is good for your health."
A
Gerund
B
Normaal werkwoord
C
No idea.

Slide 18 - Quiz

Uitleg
[Eating] vegetables is good for your health. 

What is good for your health? 
Eating vegetables.

Slide 19 - Slide

Anna is [eating] her sandwiches in the kitchen.
A
Gerund
B
Werkwoord
C
No idea.

Slide 20 - Quiz

Uitleg
Anna is [eating] her sandwiches in the kitchen. 

Is eating = present continuous

What is she doing right now? She is eating. 

Slide 21 - Slide