7.1 stofeigenschappen

Stof
eigenschappen
1 / 30
next
Slide 1: Slide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3,4

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Stof
eigenschappen

Slide 1 - Slide

Welkom in de les
Vandaag:
  • Terugblik
  • Wat weet je al?
  • Afsluiten les 

 


 Herhalen

Slide 2 - Slide

Practicum 1 - Dichtheid
Onderzoeksvraag: Van welke stof zijn de blokjes die je krijgt gemaakt?

Slide 3 - Slide

 Stofeigenschappen
Stofeigenschap: 
Een eigenschap of kenmerk waaraan 
je een stof herkent.

Slide 4 - Slide

Stofeigenschappen
Voorbeelden van stofeigenschappen:
  • kleur
  • geur
  • smaak 
  • fase bij kamertemperatuur (vast, vloeibaar of gasvormig)
  • brandbaarheid
  • smeltpunt en kookpunt
  • geleiding
  • dichtheid
  • wel of niet magnetisch

Slide 5 - Slide

Moleculen
Moleculen:
  • zijn de kleinste deeltjes van een stof.
  • zijn opgebouwd uit twee of meer atomen.

Slide 6 - Slide

Moleculen
  • zijn erg klein.
  • zijn altijd in beweging en kunnen tegen elkaar botsen.
  • bewegen sneller als de temperatuur hoger is.
  • trekken elkaar aan als ze dichtbij elkaar zitten.
  • er zit niets tussen moleculen, zelfs geen lucht.
<a href="https://phet.colorado.edu/sims/html/states-of-matter-basics/latest/states-of-matter-basics_all.html?locale=nl">Moleculen</a>

Slide 7 - Slide

Zuivere stoffen en mengsels
Een zuivere stof bestaat uit één soort molecuul.

Slide 8 - Slide

Zuivere stoffen en mengsels
Een mengsel bestaat uit meerdere soorten moleculen

Slide 9 - Slide

Zinken, zweven en drijven
Zinken: dichtheid groter dan water.
Zweven: dichtheid is gelijk aan die van water.
Drijven: dichtheid is kleiner dan die van water.
<a href="https://phet.colorado.edu/sims/html/density/latest/density_all.html?locale=nl">Z,Z&amp;D</a>

Slide 10 - Slide

Smaak is een stofeigenschap
A
Juist
B
Onjuist

Slide 11 - Quiz

Volume is een stofeigenschap
A
Juist
B
Onjuist

Slide 12 - Quiz

Als de dichtheid van een stof gelijk is dan die van water, zinkt deze stof in water.
A
Juist
B
Onjuist
C
Kun je niet weten

Slide 13 - Quiz

Als de dichtheid van een stof gelijk is dan die van water, drijft deze stof in water.
A
Juist
B
Onjuist
C
Kun je niet weten

Slide 14 - Quiz

Warmte en temperatuur
Temperatuur: graden Celcius (ºC)
- is een grootheid.
- is een maat voor de snelheid van moleculen. 

Hoe hoger te temperatuur, des te sneller bewegen
de moleculen.
Hoe hoger de temperatuur, des te meer
bewegingsenergie.






Slide 15 - Slide

Warmte en temperatuur
Faseovergang: 
- de bindingen tussen de moleculen wordt verbroken. 

Als je warmte (energie) aan een voorwerp 
toevoegt, stijgt de temperatuur van het voorwerp. 

De toegevoegde warmte wordt gebruikt om de bindingen tussen de moleculen te verbreken.


Slide 16 - Slide

Warmte en temperatuur
Warm                         of                         Warmte

Temperatuur
Energie

Slide 17 - Slide

Warmte is hetzelfde als temperatuur.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 18 - Quiz

Aan een stof wordt warmte toegevoegd. Deze warmte wordt gebruikt om de bindingen tussen de moleculen sterker te maken.
A
juist
B
onjuist
C
kun je zo niet zeggen

Slide 19 - Quiz

Warmte is een maat voor de .......... van moleculen
A
grootte
B
vorm
C
snelheid
D
hoeveelheid

Slide 20 - Quiz

De temperatuur van eens tof stijgt als de snelheid van de moleculen .......... wordt.
A
groter
B
kleiner
C
kun je zo niet zeggen

Slide 21 - Quiz

  Warmtetransport
Warmte gaat van een plek met een hoge temperatuur naar een plek met een lage temperatuur. 


Slide 22 - Slide

Warmtetransport

Slide 23 - Slide

Warmtegeleding in stoffen
Warmtestroom hangt af van:
- dikte van de wand
- oppervlakte van de wand
- temperatuurverschil 
binnen/buiten
- materiaal van de wand
Warmtestroom

Slide 24 - Slide

Warmte stroomt van koud naar warm.
A
onjuist
B
juist

Slide 25 - Quiz

Lucht is een goede warmtegeleider.
A
onjuist
B
juist

Slide 26 - Quiz

De beste warmtegeleider uit deze vier stoffen is?
A
beton
B
hout
C
gipsplaat
D
koper

Slide 27 - Quiz

Als je met een houten lepel in een pan roert brand je niet je vingers. Er is nauwelijks .................. in de lepel. ?
A
stroming
B
straling
C
geleiding

Slide 28 - Quiz

Voorbereiden op een Toets!
  • Lees de tekst van de paragraaf door;
  • Maak een lijst van de signaalwoorden/begrippen (blauw gedrukte woorden) met de betekenis;
  • Lees 'Samengevat'. Snap je het? Prima, zo niet lees de tekst (of een gedeelte) nog eens door en pak je lijst met signaalwoorden erbij totdat je alles begrijpt.
  • Maak  opgaven, misschien ook uit de groene, blauwe - of paarse route;
  • Kijk je opgaven goed na, weet wat je goed doet en nog niet goed doet.
  • Lees 'Je kunt nu'. Kun je dat? Prima, zo niet maak nog wat opgaven totdat je alles met ja kunt beantwoorden;
  • maak de 'Oefentoets'.

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide