MINERVA Les 12 - Betrekkelijk Voornaamwoord

Planning
  • Je kunt uitleggen wat een betrekkelijk voornaamwoord is en hoe het gebruikt wordt in een Nederlandse zin.
  • Je kunt een betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent aanwijzen in een Nederlandse zin.
  • Je kunt een betrekkelijk voornaamwoord herkennen en vertalen in een Latijnse zin.
1 / 24
next
Slide 1: Slide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Planning
  • Je kunt uitleggen wat een betrekkelijk voornaamwoord is en hoe het gebruikt wordt in een Nederlandse zin.
  • Je kunt een betrekkelijk voornaamwoord en het antecedent aanwijzen in een Nederlandse zin.
  • Je kunt een betrekkelijk voornaamwoord herkennen en vertalen in een Latijnse zin.

Slide 1 - Slide

Hoe zie je het verschil tussen een hoofdzin en een bijzin?
A
Een hoofdzin heeft een pv, een bijzin niet.
B
Een bijzin heeft een voegwoord, een hoofdzin niet.
C
Een bijzin is korter dan een hoofdzin.
D
Het verschil tussen een hoofdzin en bijzin is niet te zien.

Slide 2 - Quiz

Betrekkelijk voornaamwoord
Voorbeeld in NL?

Slide 3 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
1. De man, die daar loopt, roept mijn vriend.

2. De man, die jij ziet, roept mijn vriend.

Ontleed beide zinnen in pv - ow - lv. 
Welk verschil is er tussen de 1e en 2e 'die'?

Slide 4 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
In de eerste zin: onderwerp
In de tweede zin: lijdend voorwerp

Maar: slaat in beide zinnen terug op de man (onderwerp)

Slide 5 - Slide

De man, die je ziet
Betrekkelijk voornaamwoord: die

Verwijst naar?

Slide 6 - Slide

De man, die je ziet
Betrekkelijk voornaamwoord: die

De man: antecedent (belangrijke term!)

Slide 7 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
De man, die daar loopt, is mijn vriend

De man, die jij ziet, is mijn vriend

De onderstreepte bijzin noemen we een betrekkelijke bijzin.

Slide 8 - Slide

Belangrijke begrippen
Betrekkelijk voornaamwoord
Antecedent
Betrekkelijke bijzin

Slide 9 - Slide

Het schilderij dat jij hebt opgehangen, hangt scheef.
Betr. Vnw.
Antecedent

Slide 10 - Drag question

Daar is het meisje van wie ik een mail kreeg.
Betr. Vnw.
Antecedent

Slide 11 - Drag question

Het eerste argument was onzinnig, maar het tweede dat ze gaf, zette ons aan het denken.
Betr. Vnw.
Antecedent

Slide 12 - Drag question

We zien bepaalde soldaten in die stad, met wie de onzen willen vechten.
Betr. Vnw.
Antecedent

Slide 13 - Drag question

LA: Andere naamval
Vir, qui venit, amicus est.
De man, die komt, is een vriend.

Vir
, quem vides, amicus est.
De man, die je ziet, is een vriend.

Slide 14 - Slide

LA: gedeeltelijke congruentie
Puella, quae venit, amica est.
Het meisje, dat komt, is een vriendin.

Puellae
, quas vides, amicae sunt.
De meisjes,  die je ziet, zijn vriendinnen.

Slide 15 - Slide

Belangrijke regel
Vir, quem vides, amicus meus est.

Het antecedent en het betrekkelijk voornaamwoord komen altijd overeen in geslacht en getal, maar niet altijd in naamval.

Slide 16 - Slide

naamval
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
betekenis
nom ev
qui
quae
quod
die/dat
gen ev
cuius
cuius
cuius
van wie / waarvan
dat ev
cui
cui
cui
aan/voor wie / waaraan / waarvoor
acc ev
quem
quam
quod
die/dat
abl ev
quo
qua
quo
met/door/in/op wie / waarmee / waardoor / waarin / waarop
nom mv
qui
quae
quae
die 
gen mv
quorum
quarum
quorum
van wie / waarvan
dat mv
quibus
quibus
quibus
aan/voor wie / waaraan / waarvoor
acc mv
quos
quas
quae
die
abl mv
quibus
quibus
quibus
met/door/in/op wie / waarmee / waardoor / waarin / waarop

Slide 17 - Slide

dat ev
gen ev
dat mv
abl ev
nom mv
cui
cuius
quae
quibus
quo

Slide 18 - Drag question

Voorbeelden naamvallen
Vir, cuius canem vides, amicus est.

Slide 19 - Slide

Voorbeelden naamvallen
Vir, cuius canem vides, amicus est.
De man, van wie/wiens hond je ziet, is een vriend.

Slide 20 - Slide

Urbem, quam aedificamus, Romam vocamus.
A
De stad, waarin wij bouwen, noemen wij Rome.
B
De gebouwde stad noemen wij Rome.
C
De stad, die wij bouwen, noemen wij Rome.
D
Welke stad die gebouwd is noemen wij Rome?

Slide 21 - Quiz

Populus, cuius rex erat Romulus, Romae vivebat.
A
Romulus was koning van het volk dat in Rome leefde.
B
Het volk dat Romulus als koning had, leefde in Rome.
C
Het volk, waarvan Romulus koning was, leefde in Rome.
D
Welk volk had Romulus als koning en leefde in Rome?

Slide 22 - Quiz

Urbs, cui muros Romulus aedificabat, erat Rome.
A
De stad, waarvoor Romulus muren bouwde, was Rome.
B
De stad, waarvan Romulus de muren bouwde, was Rome.
C
Romulus bouwde muren voor de stad, die Rome was.
D
De stad, die met muren door Romulus was gebouwd, was Rome.

Slide 23 - Quiz

Huiswerk (ma 11 mei)
- Bekijk het uitlegfilmpje over het betr. vnw.
- OB p. 167: Taaloefening A, zinnen 1 t/m 5
- Leer de woorden van les 12A

Slide 24 - Slide