1. Ik kan de werkwoorden SER y ESTAR gebruiken2. Ik ken de bijvoeglijke naamwoorden over karakter.
3. Ik kan beschrijven en zeggen wie iemand is.
4. Ik kan de betrekkelijke voornaamwoorden gebruiken.
5.Ik weet wat ik moet doen voor het project “Mi Pasaporte español”.