Chapitre 1 - Passé composé

Leerdoelen
(1) "Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er goed vervoegen"
(2) "Ik kan de passé composé van de werkwoorden avoir, être en faire goed vervoegen"

1 / 35
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Leerdoelen
(1) "Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er goed vervoegen"
(2) "Ik kan de passé composé van de werkwoorden avoir, être en faire goed vervoegen"

Slide 1 - Slide

Welke zin staat in de passé composé?
A
Je vais écouter de la musique.
B
J'ai regardé la télé.
C
J'adore les frites.
D
Je veux manger une glace.

Slide 2 - Quiz

Wat betekent de zin "J'ai regardé la télé"?

Slide 3 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van het werkwoord "changer"?
A
change
B
changes
C
changez
D
changé

Slide 4 - Quiz

Welk werkwoord heb je ALTIJD nodig bij het maken van een passé composé?
A
être
B
faire
C
avoir
D
aller

Slide 5 - Quiz

Il a trouvé un livre.
Nous avons écouté une chanson.
J'ai oublié mon livre.
Tu as fermé la porte?

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Vervoeg:
J' (hebben)
A
as
B
ais
C
ai
D
ait

Slide 8 - Quiz

Vervoeg:
Ils (hebben)
A
ont
B
vont
C
sont
D
font

Slide 9 - Quiz

Vervoeg:
Tu
A
ai
B
as
C
a
D
es

Slide 10 - Quiz

ai
as
a
avons
avez
ont
J'

Tu
il - elle - on
Nous
Vous
Elles - Ils

Slide 11 - Drag question

Slide 12 - Slide

"Ik kan werkwoorden op - er juist vervoegen in de passé composé"
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

Verschil présent - passé composé
Présent
Passé composé
Ik werk
Ik heb gewerkt
Je travaille
J'ai travaillé
Wij kopen
Wij hebben gekocht
Nous achetons
Nous avons acheté

Slide 15 - Slide

werkwoorden op -er

Slide 16 - Mind map

Wat zijn werkwoorden op -er?
parler, trouver, changer, écouter, travailler, penser, aimer, adorer, détester, etc.

Slide 17 - Slide

Hoe maak je een voltooid deelwoord?
Bij alle regelmatige –er werkwoorden maken we het voltooid deelwoord door é achter de stam te plakken:

Parler > Parl > Parlé ( = gepraat)
Trouver > Trouv>  Trouvé (= gevonden)
Écouter > Écout > Écouté (= geluisterd)

Slide 18 - Slide

Exemple
Ik heb gekeken = ?
Gekeken komt van kijken.
Kijken = regarder > regard > regardé (= gekeken)
Ik heb = J'ai
J'ai regardé

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Wat is het voltooid deelwoord van "chercher"?

Slide 21 - Open question

Jij hebt gezongen = ?
(Zingen = chanter)

Slide 22 - Open question

Avoir
avoir = hebben    >      eu = gehad


Tu as eu = Jij hebt gehad
Vous avez eu = Jullie hebben gehad / U heeft gehad
Etc.

Slide 23 - Slide

Wij hebben gehad =
A
Nous avons avoiré
B
Nous avons eu

Slide 24 - Quiz

Ik heb gehad = ?

Slide 25 - Open question

Être
être = zijn         été = geweest 

J'ai été = Ik ben geweest
Nous avons été = Wij zijn geweest
Etc.

Slide 26 - Slide

Jij bent geweest = ?
A
Tu as été
B
Tu es été
C
Tu as êtré
D
Tu es êtré

Slide 27 - Quiz

Isabelle is leraar geweest = ?

Slide 28 - Open question

Faire
faire = doen/maken         fait = gemaakt/gedaan


Il a fait = Hij heeft gemaakt/gedaan
Elles ont fait du foot = Zij hebben gevoetbald  (want: het hele werkwoord is faire du foot)
Etc.

Slide 29 - Slide

U heeft getennist = ?
A
Vous avez fairé du tennis.
B
Vous avez tennissé.
C
Vous avez fait du tennis.
D
Vous êtes fait du tennis.

Slide 30 - Quiz

Zij heeft een tafel (une table) gemaakt = ?

Slide 31 - Open question

Slide 32 - Slide

Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er toepassen.
A
Ja
B
Nee

Slide 33 - Quiz

Ik kan de passé composé van avoir, être en faire toepassen.
A
Ja
B
Nee

Slide 34 - Quiz

En verder? In de les/huiswerk
Fais les exercices 16e, 17ac p. 32

Verbuga.eu
Tijd: passé composé
werwoorden: chanter, aimer, parler, avoir, être, faire

Slide 35 - Slide