2.2 zinsbouw

2.2 zinsbouw 
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 4

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

2.2 zinsbouw 

Slide 1 - Slide

Doel:
Je formuleert correcte samengestelde zinnen.

Deze les gaat over de correcte volgorde van woorden in een zin. 

Slide 2 - Slide

Herhaling! 

Slide 3 - Slide

Is hier sprake van congruentie (goed) of incongruentie (fout)? Bijna tachtig procent van de Nederlanders noemt zich gelukkig.
A
Congruentie
B
Incongruentie

Slide 4 - Quiz

Een groepje kinderen gingen gisteren naar het zwembad.
Welke stijlfout zit er in deze zin?
A
Congruentie
B
Incongruentie

Slide 5 - Quiz

De musea in Rotterdam IS / ZIJN gesloten.
A
Is
B
Zijn

Slide 6 - Quiz

Het personeel van het ziekenhuis STAAKT / STAKEN.
A
Staakt
B
Staken

Slide 7 - Quiz

De les 

Slide 8 - Slide

Wat is de persoonsvorm in de zin:
Bart heeft geen zin in appelmoes.

Slide 9 - Open question

Hoe herken je een samengestelde zin?

Slide 10 - Open question

Samengestelde zin 
Samengestelde zin
=
2 losse zinnen met soms een voegwoord

Ik ga weg, want ik wil mijn vrienden zien.


Slide 11 - Slide

Persoonsvorm

Geen persoon!
belangrijkste werkwoord in de zin 
Onderwerp 

 Een zin geeft weer wat er met het onderwerp aan de hand is, wat het onderwerp doet of wat er mee gebeurt/overkomt. 

Je hebt de persoonsvorm hierbij nodig. 

Slide 12 - Slide

Volgorde van zinnen: 
Een gewone zin heeft de volgende volgorde: 

Onderwerp 
Persoonsvorm 


Slide 13 - Slide

De persoonsvorm staat altijd op de tweede plek in de zin. Tenzij de zin een vraag is.

Doet Jaimie morgen rijexamen?

Slide 14 - Slide

Maak een samengestelde zin in de volgorde onderwerp - persoonsvorm.

Slide 15 - Open question

Weer een nieuw woord: 
Inversie: 
De volgorde staat anders in de zinnen. 
Het onderwerp staat niet vooraan.

Vrijdag ga ik patat eten. Zaterdag ga ik pannenkoeken eten. 

Slide 16 - Slide

Let op: 
Inversie is niet fout! De zin staat goed. Alleen soms gaat het wel mis en dat heet FOUTIEVE inversie. 

Slide 17 - Slide

Om dit niet verkeerd te doen: 

zet in de tweede zin van de samengestelde zin het onderwerp weer vooraan! 

Slide 18 - Slide

Tip 2 
TIP: 
Gebruik maximaal twee zinnen in een samengestelde zin. Gebruik je meer, dan is de kans groot dat je fouten maakt

Slide 19 - Slide

Is in de zin sprake van correcte of foutieve inversie?
Morgen wordt de nieuwe website officieel gelanceerd, maar vanaf vandaag is hij al zichtbaar voor medewerkers van het bedrijf
A
correcte inversie
B
foutieve inversie

Slide 20 - Quiz

Is in de zin sprake van correcte of foutieve inversie?
De nieuwe contracten zijn inmiddels door alle werknemers ondertekend en treden ze op 1 augustus in werking.
A
correcte inversie
B
foutieve inversie

Slide 21 - Quiz

Samentrekking 
Hierbij laat je woorden weg in de zin. Dit kan alleen als de woorden . precies dezelfde betekenis, vorm of functie hebben. 

Voorbeeld; 
Hij kwam binnen, hing zijn jas op en ging zitten. (hij kan steeds als onderwerp voor de persoonsvorm worden ingevoegd)

Slide 22 - Slide

Is deze zin goed of fout?
Je sleu­tels lig­gen hier, maar je mo­bieltje daar.
A
Goed
B
Fout

Slide 23 - Quiz

Is deze zin goed of fout?
Eerst zetten we de bar neer en dan de partyten­ten op.

A
Goed
B
Fout

Slide 24 - Quiz

Veel sporters vonden het benauwd in de sporthal en wilden enkele deuren openzetten.
























De juf wordt toegezongen door alle leerlingen en de lokalen versierd.



A
de samentrekking is goed
B
het is niet dezelfde functie
C
het is niet dezelfde betekenis
D
het is niet hetzelfde getal

Slide 25 - Quiz

Welke foutieve samentrekking?
''Zijn broek kostte tachtig euro, maar vind ik niet mooi.''
A
Verschil in grammaticale functie
B
Verschil in getal
C
Verschil in betekenis

Slide 26 - Quiz

Welke zin is juist?
A
Morgen doet Jaimie rijexamen.
B
Morgen Jaimie doet rij examen.

Slide 27 - Quiz

Ik ga vrijd­ag op ex­cur­sie en dus slaap ik za­ter­d­ag uit.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 28 - Quiz

Vrijd­ag ga ik op ex­cur­sie en slaap ik za­ter­d­ag uit.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 29 - Quiz