Chapitre 5 phrases-clés C & grammaire D

1 / 25
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Programme
Wat hebben we vorige les gedaan?


Doel van vandaag:
Aan het einde van de les:
- kun je het delend lidwoord gebruiken
- weet je wat de uitzonderingen zijn bij het delend lidwoord


Slide 2 - Slide

Le programme
  • parler ex 13
  • grammaire: het delend lidwoord


Slide 3 - Slide

welke lidwoorden ken jij
in het Frans en NL?

Slide 4 - Mind map

Het delend lidw bestaat niet in NL
In het Nederlands zeggen we:
ik koop broeken
in het frans:
 j'achète des pantalons

Slide 5 - Slide

Aantekening: stap 1
staan de volgende werkwoorden [adorer, préférer, aimer, détester] in de zin? Dan gebruik je : le / la / l' / les

Bijvoorbeeld: J'adore les pommes

Slide 6 - Slide

stap 2
Staat er voor het zelfstandig naamwoord een getal in de zin?
Dus bijvoorbeeld: Je mange 3 pommes.

Dan vul je niks in.

Slide 7 - Slide

stap 3
Staat er een hoeveelheidswoord of ontkenning in de zin?
Dan gebruik je: de / d'
Dus: Je ne mange pas de pommes
Je mange beaucoup de pommes

Slide 8 - Slide

Noem voorbeelden van hoeveelheidswoorden

Slide 9 - Mind map

Voorbeelden van hoeveelheidswoorden
  • un peu                         
  • beaucoup
  • une bouteille
  • une boîte
  • une tasse
  • un verre
  • un litre
  • un kilo
  • assez
  • plus
  • moins
  • trop
  • groupe

Slide 10 - Slide

stap 4
Als er geen sprake is van stap 1 t/m 3 dan controleer je het volgende:

Slide 11 - Slide

Bij stap 4 gebruik je pas het delend lidw.
meervoud [eindigt op x / s]
des 
enkelvoud maar begint met aeiou/h
de l'  
vrouwelijk enk
de la   
mannelijk enk
du  

Slide 12 - Slide

Stelling: als je in het NE geen lidwoord gebruikt, gebruik je in het FA een delend lidwoord.
A
juist
B
onjuist

Slide 13 - Quiz

Deux kilos ....... pommes.
(Kies het goede delend lidwoord)
A
des
B
de la
C
de
D
du

Slide 14 - Quiz

Je ne bois pas ..... coca.
(Kies het goede delend lidwoord)
A
du
B
des
C
de la
D
de

Slide 15 - Quiz

Geef het juiste delend lidwoord.
Elle prend ..... lait.
A
du
B
de la
C
de l'
D
des

Slide 16 - Quiz

Kies het juiste delend lidwoord:
Tu ne mange pas __ viande (v)?
A
de la
B
de

Slide 17 - Quiz

Vul het juiste delend lidwoord in:
'Ma mère achète......pain
A
des
B
de la
C
du
D
de

Slide 18 - Quiz

Je prends ..... poisson.
(Kies het goede delend lidwoord)
A
de la
B
du
C
de l'
D
des

Slide 19 - Quiz

Kies het juiste delend lidwoord:
Je prends une salade avec ___ poivrons (m).
A
du
B
des

Slide 20 - Quiz

Is het delend lidwoord hetzelfde als het lidwoord dat we al kennen
(le, la, les & l' / un & une)?
A
ja
B
nee

Slide 21 - Quiz

Welk delend lidwoord hoort in deze zin: " je n'ai pas ...... argent"
A
d'
B
du
C
de la
D
de l'

Slide 22 - Quiz

Een delend lidwoord gebruik je
A
zowel in het Nederlands als in het Frans
B
alleen in het Nederlands
C
alleen in het Frans.
D
bij uitzonderingen in het Frans

Slide 23 - Quiz

Na een ontkenning of een hoeveelheidswoord gebruik je altijd
A
de of d'
B
hetzelfde delend lidwoord
C
je ne sais pas
D
des, d'

Slide 24 - Quiz

Devoirs
jeudi 13/4:
apprendre D chapitre 5
ex 15, 16



Slide 25 - Slide