Nakijken Over taal H1: 1, 3 - 9

- Over Taal



1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 14 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

- Over Taal



Slide 1 - Slide

Lesdoelen

Woordenschat:

Je begrijpt de betekenis van verschillende examenwoorden en woorden uit diverse teksten.


Taalbeschouwing:

Je kent het verschil tussen een homoniem en homofoon.

Slide 2 - Slide

Uitleg 1.8 Woordenschat
Daarna maken we Over Taal opdracht 1 en 3
Deze kijken we in de les na. 

Slide 3 - Slide

Aan de slag
Maken opdracht 1, 3 en 4. 

Slide 4 - Slide

Nakijken opdracht 1 examenwoorden
1. volledig = geheel, helemaal
2 telegramstijl (de) = heel korte manier van opschrijven
3 maximaal = hoogstens
4 samenhangend = met logische verbanden (bijv. tussen zinnen)
5 formulering (de) = de woorden die je gebruikt om iets te zeggen of op te schrijven


Slide 5 - Slide


6 goedlopend = prettig leesbaar, grammaticaal goed
7 aansluiten bij = ergens bij passen
8 volzin (de) = lange, goed opgebouwde zin
9 interpunctie (de) = leestekens, zoals punten en komma’s
10 geheel (het) = alles bij elkaar


Slide 6 - Slide

Nakijken Over taal H1: 3 (blz. 32)

  • 1                       afdingen = minder bieden dan de vraagprijs
  • 2                       concurrentie = strijd om  een ander te overtreffen
  • 3                       lokaal = plaatselijk
  • 4                       welgesteld = rijk
  • 5                       verschepen = per schip vervoeren



Slide 7 - Slide

Nakijken Over taal H1: 3 (blz. 32)

  • 6                       opperen = voorstellen
  • 7                       vakkundig = met veel kennis van het vak
  • 8                       feilloos = zonder fouten
  • 9                       ontdoen van = eraf halen
  • 10                     exporteren = verkopen aan andere landen



























6                       opperen = voorstellen

7                       vakkundig = met veel kennis van het vak

8                       feilloos = zonder fouten

9                       ontdoen van = eraf halen

10                     exporteren = verkopen aan
andere landen






Slide 8 - Slide

Nakijken Over taal H1: 4 (blz. 33)

  • 1                       concurreren – de concurrentie, de concurrent
  • 2                       verschepen – het schip
  • 3                       exporteren – de export



Slide 9 - Slide

Nakijken Over taal H1: 5 (blz. 34)

  • 1 Slot = C (kasteel)
  • 2 Hoop = B (wens of verwachting)
  • 3 Blik = A (kijkje)
  • 4 Ring = B (rondweg)
  • 5 Pit = B (brander op een gasstel)
  • 6 Kas = C (bewaarplaats voor geld)
  • 7 Groene = C (goed voor het milieu)
  • 8 Pak = C (kostuum)



Slide 10 - Slide

Nakijken Over taal H1: 6 (blz. 34)

1a twee zinnen met het woord 'maat'

1b twee zinnen met het woord 'stam'

1c twee zinnen met het woord 'kraan'

1d twee zinnen met het woord 'das'

Slide 11 - Slide

Nakijken Over taal H1: 7 (blz. 35)

  • 1                       zei
  • 2                       lach
  • 3                       bod
  • 4                       jou
  • 5                       pont
  • 6                       licht
  • 7                       eis
  • 8                       eentje

Slide 12 - Slide

Nakijken Over taal H1: 8 (blz. 35)

1  Een zin met 'zij'

2 Een zin met 'lag'

3 Een zin met 'bot'

4 Een zin met 'jouw'

5 Een zin met 'pond'

6 Een zin met 'ligt'

7 Een zin met 'ijs'

8 Een zin met 'eendje'

Slide 13 - Slide

Nakijken Over taal H1: 9 (blz. 35)

  • 1 wei = wij
  • 2 wei is een bestaand Nederlands woord. Spellingcontrole kijkt niet naar de betekenis, maar alleen naar de spelling.

Slide 14 - Slide