Hebben en zijn

Hebben en zijn
Wanneer gebruik je de werkwoorden 'hebben' en 'zijn'. 
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Hebben en zijn
Wanneer gebruik je de werkwoorden 'hebben' en 'zijn'. 

Slide 1 - Slide

Hoe vervoegen we 'hebben'?

Slide 2 - Mind map

Vul in:
Ik …………………………. vandaag echt geen tijd. 
Bijna iedereen ……………………………tegenwoordig een mobiele telefoon.
Waarom ……………………….. jullie nooit geld bij je?

Slide 3 - Slide

De docent ........... vaak hoofdpijn.

Slide 4 - Open question

Wij ................ vandaag Nederlandse les.

Slide 5 - Open question

Ik ................. bijna vakantie.

Slide 6 - Open question

............... u de rekening al betaald?

Slide 7 - Open question

Je ............... gelijk. Ik vergis me.

Slide 8 - Open question

Hoe vervoegen we 'zijn'?

Slide 9 - Mind map

Vul in: 
Ik ………………………. blij dat je me even wilt helpen.
Wij ………………………….. al bijna 20 jaar getrouwd.
…………………………. je morgen thuis?
Het buurmeisje ……………………. gisteren gevallen met haar fiets.

Slide 10 - Slide

Dit boek …………… erg mooi. Je moet het ook lezen!

Slide 11 - Open question

Je …………… gek. Natuurlijk kan dat niet!

Slide 12 - Open question

Deze producten ………………. in de aanbieding.

Slide 13 - Open question

. U ……… verkeerd verbonden, mevrouw.

Slide 14 - Open question

Hij ..............eerder naar huis gegaan.

Slide 15 - Open question

“Jullie ………………………..vervelend”, zegt de moeder tegen haar kinderen.
A
hebben
B
zijn
C
heeft
D
is

Slide 16 - Quiz

" …………………………. jullie een ogenblikje? Ik ben bezig".
A
heeft
B
zijn
C
is
D
hebben

Slide 17 - Quiz

"U ………………………. na mij, mevrouw!"
A
bent
B
is
C
heeft
D
zijn

Slide 18 - Quiz

Maak een zin met 'hebben'.

Slide 19 - Open question

Maak een zin met 'zijn'.

Slide 20 - Open question

Maak een zin met 'ben'.

Slide 21 - Open question

Maak een zin met 'hebt'.

Slide 22 - Open question

Maak een zin met 'heb'.

Slide 23 - Open question

Maak een zin met 'heeft'.

Slide 24 - Open question

Maak een zin met 'is'.

Slide 25 - Open question

Maak een zin met het werkwoord 'hebben'. Kies zelf uit: ik, hij of wij.

Slide 26 - Open question

Maak een zin met het werkwoord 'zijn'. Kies zelf uit ik, jij of jullie.

Slide 27 - Open question

Wat vind je van deze oefening?

Slide 28 - Mind map