Lezing de wereld wordt kleiner

De wereld wordt kleiner....
1 / 32
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

De wereld wordt kleiner....

Slide 1 - Slide

timer
0:45
Globalisering

Slide 2 - Mind map

Toenemende transportmogelijkheden
Criteria voor niveau rood:
Je beschrijft waarom Nederland een transportland is.
Je legt de volgende begrippen uit in jouw eigen woorden: transportland, doorvoer, invoer, uitvoer, mainport en infrastructuur.   
Je beschrijft verschillende transportmogelijkheden.
Je beschrijft hoe de ontwikkeling van die transportmiddelen in grote lijnen van het begin tot nu is verlopen. 
Je beschrijft dat spullen uit veel verschillende landen komen.
Je beschrijft dat dit komt doordat het vervoer makkelijker en sneller gaat dan vroeger.

Slide 3 - Slide

De wereld wordt kleiner
Internationalisering en globalisering:
- meer samenwerking
- uitbreiding handel
- relatieve afstanden verkort
- minder grenzen


Slide 4 - Slide

Nederland transportland
Nederland is een transportland en heeft twee belangrijke mainports;
  1.    Schiphol
  2.    De haven van Rotterdam

Deze mainports importeren en exporteren enorm veel goederen. Daarnaast zijn dit ook doorvoerhavens
Infrastructuur is erg belangrijk voor havens als Schiphol en Rotterdam. Wegen, spoorwegen, waterwegen en zelfs internet zijn voorbeelden van infrastructuur.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Transport van toen tot nu
Vroeger was het een hele onderneming om naar de andere kant van Nederland te reizen. Nu duurt dat nog maar drie uur.

De eerste stoomboot komt uit 1783, de eerste stoomtrein uit 1839. Sinds er boten, treinen auto's ect. zijn is de inrichting van
Nederland enorm veranderd.
De infrastructuur is veranderd. Dit zijn o.a. de snelweg-
en en vaarwegen, maar ook de ict-infrastructuur. 

Slide 7 - Slide

Waar komen jouw spullen vandaan?
Kijk eens op een van de labels in je kleding. Waar komt het vandaan? Wat valt je op?

Slide 8 - Slide

Hoe noemen we Schiphol en de Rotterdamse haven ook wel?
A
Mainpoint
B
Mainport
C
Meanpoint
D
Meanport

Slide 9 - Quiz

Noem twee voorbeelden van infrastructuur.

Slide 10 - Open question

Wanneer een Nederlandse haven een doorvoerhaven is...
A
Gaan producten van een land naar Nederland
B
Gaan producten via Nederland naar een ander land
C
Gaan producten uit Nederland naar een ander land.

Slide 11 - Quiz

Sociale media
Criteria voor niveau rood:
Je geeft het belang aan van een goede bereikbaarheid tussen arme en rijke landen.
Je geeft voorbeelden van wat er verandert in het dagelijks leven van mensen door de komst van mobiele communicatie.  
Je benoemt de gevolgen van uitwisseling van informatie via internet en de nieuwe media.
Je legt uit hoe digitale middelen invloed hebben op het dagelijks leven en geeft hier voorbeelden van.

Slide 12 - Slide

Communicatie
Het doel communicatie is het overbrengen van een bepaalde boodschap op iemand anders. Deze boodschap bevat 
informatie, die bestaat uit gedachten, gevoelens en/of gedrag.

Slide 13 - Slide

Nieuwe  media
Facebook, twitter en instagram zijn voorbeelden van nieuwe media.

Slide 14 - Slide

Welke social media gebruik jij?

Slide 15 - Open question

Wat is het verschil tussen het gebruik van mobiele telefoon in arme landen en in Nederland?

Slide 16 - Open question

Wereldeconomie
Criteria voor niveau rood:
Je benoemt kenmerken van een ontwikkelingsland.
Je legt uit in welke continenten de meeste ontwikkelingslanden te vinden zijn.  
Je beschrijft dat er verschillende stappen nodig zijn totdat een product bij jou is beland.
Je legt uit dat economische zwaartepunten kunnen verschuiven en dat verschillende soorten arbeid te maken hebben met de ontwikkeling van een gebied.
 Je beschrijft wat global shift is, hoe het ontstaat en wat de gevolgen ervan zijn.
Je legt uit wat internationale samenwerking is en kunt voorbeelden hiervan geven.
Je beschrijft wat de WTO doet en wat het verschil is met fair trade.
Je noemt gevolgen voor mensen die direct met fair trade te maken hebben. 

Slide 17 - Slide

Wat is arm?
Je kan spreken van armoede wanneer mensen zich niet kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften:
  • Schoon water
  • Voedsel
  • Kleding
  • Huisvesting
  • Gezondheidszorg

Slide 18 - Slide

Wat is arm?
Een ontwikkelingsland is een land met armoede. De meeste mensen werken in de landbouwsector. Er werken weinig mensen in de dienstensector.

Ontwikkelingslanden lopen achter op technologisch, economisch, wetenschappelijk en medisch vlak.
Bric-landen zijn de snel opkomende landen: Brazilië, Rusland, India en China.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Wat is geen eerste levensbehoefte?
A
Water
B
Voedsel
C
Kleding
D
Internet

Slide 21 - Quiz

Hoeveel % van de wereld leeft in armoede?
A
Ongeveer 10 %
B
Ongeveer 50 %
C
Maar 1 %
D
Ongeveer 30 %

Slide 22 - Quiz

In welke werelddelen/continenten zijn de meeste ontwikkelingslanden?
A
Afrika, Australië en Azië
B
Afrika, Zuid-Amerika en Noord-Amerika
C
Afrika, Zuid-Amerika en Azië
D
Afrika, Noord-Amerika en Azië

Slide 23 - Quiz

Van grondstof tot consument
Het shirt wat je nu draagt is waarschijnlijk van katoen. Katoen groeit in warme en droge landen. Van het katoen worden garen gesponnen en van die garen worden lappen stof gemaakt. Die lappen stof worden geverfd, vervolgens wordt er een shirt van gemaakt in een atelier.

Veel van deze stappen uit het productieproces worden gemaakt in lagelonenlanden. Hier is ook vaak sprake van kinderarbeid.

Slide 24 - Slide

Global shift
Global shift is een begrip met twee betekenissen;
  1.    Het totale proces van globalisering, de wereldeconomie heeft steeds minder last van afstanden en grenzen. De wereld lijkt steeds kleiner te worden!
  2.    Het economisch zwaartepunt lijkt te verschuiven van de Atlantische kusten naar de Pacifische kusten. Vroeger had Nederland de grootste haven, maar tegenwoordig hebben de Chinezen ons ingehaald!

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Internationale samenwerking
Internationale samenwerking betekent samen iets realiseren, wat je niet alleen kunt. Niet verwarren met internationale handel, want hiermee maken bedrijven winst. 

Voorbeelden zijn: de Navo, internationale samenwerking voor veiligheid. Of de WTO, internationale samenwerking om eerlijke handel in de gaten te houden.

Slide 27 - Slide

Eerlijke handel
Fairtrade staat voor eerlijke handel. Dit betekent dat fairtrade producten zijn gemaakt onder goede omstandigheden, voor een eerlijk loon. 
WTO staat voor world trade organisation. De WTO bekijkt of men zich aan de gemaakte afspraken houdt.

Slide 28 - Slide

Artikel Zuid-Afrika
Je bent een Nederlandse journalist die een bezoek brengt aan Zuid-Afrika. Het dagblad waar je voor werkt, wil een artikel over Zuid-Afrika. In het artikel geef je antwoord op de vraag of Zuid-Afrika wel of geen ontwikkelingsland is. 
Je moet de lezer duidelijk uitleggen waarom dat zo is.
Je begint je artikel met het nieuws dat een politieke partij de hulp aan Zuid-Afrika wil afschaffen en waarom ze dat wil. In het artikel bespreek je vier kenmerken van ontwikkelingslanden.
Het artikel mag uit maximaal 250 woorden bestaan. 

Om de vraag of Zuid-Afrika een ontwikkelingsland is te kunnen beantwoorden,
moet je een aantal deelvragen beantwoorden. 
Bijvoorbeeld:
Hoe hoog is het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in Zuid-Afrika? 
Hoe staat het met de gezondheidszorg in Zuid-Afrika?
Heeft Zuid-Afrika een hoge bevolkingsgroei?
Is er in Zuid-Afrika sprake van een monocultuur?
Heeft Zuid- Afrika een hoge buitenlandse schuld?
Zoek op internet naar sites met informatie over Zuid-Afrika.
Schrijf het artikel over Zuid-Afrika. 
Gebruik de informatie die je opgezocht hebt. Vergeet de conclusie niet.

Slide 29 - Slide

Hoe verschuift het economisch zwaartepunt over de wereld?
A
Van Atlantische kusten naar Pacifische kusten
B
Van Pacifische kusten naar Atlantische kusten

Slide 30 - Quiz

Waar staat WTO voor?
A
World Traffic Organisation
B
Wasa Tosti Ontbijt
C
World Trade Organisation
D
World Transition Organisation

Slide 31 - Quiz

In welk soort landen wordt veel van onze kleding gemaakt?
A
Buurlanden
B
Bric-landen
C
Lagelonenlanden

Slide 32 - Quiz