Verkeersquiz

Verkeersquiz
1 / 16
next
Slide 1: Slide
VerkeerBasisschoolGroep 7

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Verkeersquiz

Slide 1 - Slide

Welke vervoersmiddelen ken je allemaal? Schrijf er zoveel mogelijk.

Slide 2 - Mind map

Wie heeft er voorrang?
A
Pepijn, want de politie heeft geen sirene aan
B
Pepijn, want hij rijdt op een voorrangsweg
C
de politieauto want die heeft altijd voorrang
D
de politieauto want die komt van rechts

Slide 3 - Quiz

Wie mag eerst?
A
voetganger, fiets, auto
B
auto, fiets, voetganger
C
fiets, voetganger, auto
D
voetganger, auto, fiets

Slide 4 - Quiz

Wie mag als eerste, wie daarna en wie als laatste?
A
Eerst Joost, dan Ank en dan Sander
B
Eerst Ank, dan Sander en dan Joost
C
Eerst Sander, dan Ank en dan Joost
D
Eerst Ank, dan Joost en dan Sander

Slide 5 - Quiz

Wat betekent dit bord?
A
je rijdt op een voorrangsweg
B
er komt een treinspoor aan
C
je moet voorrang geven
D
je mag alleen rechtdoor

Slide 6 - Quiz

Hoe heet een weg zonder steen of asfalt?
A
Een verharde weg
B
Een asfaltweg
C
Een onverharde weg
D
Een fietspad

Slide 7 - Quiz

Welk bord betekent:
Je rijdt op een voorrangsweg.
(Iedereen laat jou voor)

A
B
C

Slide 8 - Quiz

Waar zijn de tegels met ribbels voor?
A
Voor mensen die doof zijn.
B
Voor mensen met een bril.
C
Voor mensen die blind zijn.
D
Voor mensen in een rolstoel.

Slide 9 - Quiz

Wie mag er eerst?


A
de auto (kleine bocht)
B
Eva (grote bocht)
C
ze kunnen tegelijk

Slide 10 - Quiz

Moet Sophie de bus voor laten gaan?
A
Ja, want de bus rijdt weg bij de halte.
B
Nee, want ze fietst met een cadeau.
C
Ja, want de bus is een voorrangsvoertuig.
D
Nee, want Sophie fietst op het fietspad.

Slide 11 - Quiz

Wat is de goede volgorde van voorrang?
A
Juan, Anna en Mo
B
Anna, Mo en Juan
C
Mo, Juan en Anna

Slide 12 - Quiz

Wat moet je doen als je een voertuig met sirenes tegenkomt?
A
Nooit voor laten gaan.
B
Soms voor laten gaan.
C
Alleen voor laten gaan als de sirenes uit staan.
D
Altijd voor laten gaan.

Slide 13 - Quiz

Rebecca gaat rechtdoor, mag zij als eerste?
A
Ja, zij gaat rechtdoor
B
Nee, want de auto komt van rechts
C
Ja, want Ada gaat naar links

Slide 14 - Quiz

Wat kan Nora het beste doen?
A
doorlopen
B
de auto voor laten gaan want die heeft voorrang
C
wachten of de auto haar ziet en dan lopen
D
met een boog om de auto heen lopen

Slide 15 - Quiz

Wie moet voorrang krijgen?
A
Dieter en Femke
B
de automobilist
C
alleen Dieter
D
alleen Femke

Slide 16 - Quiz