Clase 2 Instromers Koningstraat

Unidad 2
1) werkwoord ser
2) meervoud
3) bijvoeglijke naamwoorden
4) aanwijzende voornaamwoorden
4) getallen 1 t/m 100
1 / 37
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Unidad 2
1) werkwoord ser
2) meervoud
3) bijvoeglijke naamwoorden
4) aanwijzende voornaamwoorden
4) getallen 1 t/m 100

Slide 1 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden
yo - tú - él - ella - usted - nosotros(-as) - vosotros(-as) - ellos - ellas - ustedes

1. José y yo (José en ik) = nosotros (wij)
2. Mi madre y tú (mijn moeder en jij) = vosotros (jullie)
3. Mis hermanos (mijn broers) = ellos (ze mv)
4. Yo (meisje) y mis amigas = nosotras 

Slide 2 - Slide

Weet jij de persoonsvormen in het Spaans? Koppel de juiste Nederlandse betekenis eraan. 
Doe daarna het zelfde met de rode kaartjes. (Weet je een woord niet? zoek het op!)
YO
ÉL, ELLA, USTED
NOSOTROS, NOSOTRAS
VOSOTROS, VOSOTRAS
ELLOS, ELLAS, USTEDES
ik
jij
María y Pepe
zij (mv)
wij
hij
jullie
zij
mi hermano y yo
u (mv)
Isabel y tú
Juan
señor Collantes

Slide 3 - Drag question

verbo ser - ww zijn
ik ben 
soy
jij bent
eres
hij/zij/u/het is
es
wij zijn
somos
jullie zijn
sois
zij zijn
son

Slide 4 - Slide

Sleep de blauwe woorden naar de gele woorden!
yo
él, ella, usted
nosotros
vosotros
ellos, ellas, ustedes
soy
eres
es
somos
sois
son

Slide 5 - Drag question

Sleep het antwoord naar de juiste plek!
3.  Vosotros...........españoles.
1. María.........una chica muy inteligente.
2. Yo y Carlos................amigos.
5. Tú...........muy guapo.
4. María y Marta.................alumnas.
6. Yo.....profesor de español.
soy
eres
son
sois
somos
es

Slide 6 - Drag question

¡Hola! yo __________ Francis. 
Juan vive en España.
Él ___________ español. 
Ana y Carlos _______________ amigos. 
¿De dónde ___________ tú?
Nosotros _____ de Barcelona.
soy
es
son
eres
somos

Slide 7 - Drag question

Mis amigos..................de Guatemala.
A
son
B
sois
C
eres
D
somos

Slide 8 - Quiz

Vosotras............las amigas de Laura.
A
son
B
sois
C
eres
D
somos

Slide 9 - Quiz

Juan y yo .............amigos.
A
son
B
sois
C
eres
D
somos

Slide 10 - Quiz

¿...........(tú) español?
A
soy
B
es
C
eres
D
sois

Slide 11 - Quiz

Mi hermana........... holandesa.
A
soy
B
es
C
somos
D
son

Slide 12 - Quiz

el plural - het meervoud
REGELS:
1. Eindigt een woord op een klinker (a/e/i/u/o) + s
Voorbeeld: la casa (het huis) - las casas (de huizen)
2. Eindigt een woord op een medeklinker + es
Voorbeeld: el profesor (de leraar) - los profesores (de leraren)

Slide 13 - Slide

Zet in het meervoud:
el alumno

Slide 14 - Open question

Zet in het meervoud:
la profesora

Slide 15 - Open question

Zet in het meervoud:
el reloj

Slide 16 - Open question

Zet in het meervoud:
el estudiante

Slide 17 - Open question

Bijvoeglijk naamwoord
1. Het zegt iets over het zelfstandig naamwoord.
2. In het Spaans past het zich aan aan mannelijk / vrouwelijk / enkelvoud / meervoud.
3. In het Spaans staat het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: wit = blanco
la casa blanca - las casas blancas
4. Voor de volledige uitleg; bekijk het filmpje!

Slide 18 - Slide

0

Slide 19 - Video

Zinnen in het meervoud zetten
Regels:
1. klinker + s / medeklinker + es (NIET voor werkwoorden)
2. vergeet niet het lidwoord aan te passen (el - los / la -las)
3. vergeet niet om ook het ww aan te passen!
Voorbeeld:
El libro es bonito. - Los libros son bonitos.
(Het boek is mooi. -De boeken zijn mooi.)


Slide 20 - Slide

1. Mi amigo es español.

Slide 21 - Open question

2. Ella es estudiante.

Slide 22 - Open question

3. El libro es interesante.

Slide 23 - Open question

4. Usted es profesor.

Slide 24 - Open question

5. El alumno es chileno (uit Chili).

Slide 25 - Open question

6 . La casa es bonita (mooi).

Slide 26 - Open question

De aanwijzende voornaamwoorden in het Spaans 
DIT, DEZE worden gebruikt voor iets dat dichtbij is.
Este, Esta, Estos, Estas


DIE, DAT worden gebruikt voor iets dat ver weg is.
Esa, Ese, Esos, Esas 

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Video

Slide 29 - Slide

... teléfono móvil es azul.
A: Esta B: Este C: Estas D: Estos
A
Esta
B
Este
C
Estas
D
Estos

Slide 30 - Quiz

... chicas son de Cuba.
A: Esta B: Este C: Estas D: Estos
A
Esta
B
Este
C
Estas
D
Estos

Slide 31 - Quiz

...diccionarios son españoles.
A: Esta B: Estas C: Este D: Estos
A
Esta
B
Estas
C
Este
D
Estos

Slide 32 - Quiz

... ordenadores son grandes.
A: Esta B: Estas C: Este D: Estos
A
Esta
B
Estas
C
Este
D
Estos

Slide 33 - Quiz

... coche es verde.
A: Esta B: Estas C: Este D: Estos
A
Esta
B
Estas
C
Este
D
Estos

Slide 34 - Quiz

Los números
- Alle getallen t/m 30 schrijven we aan elkaar.
- Vanaf 30 t/m 99 voegen we tussen het tiental en de eenhied het woordje y toe (y=en)
- de Spaanse volgorde is precies het tegenovergestelde als de Nederlandse: éénentachtig (NL)- tachtig en één (SP)

Slide 35 - Slide

0 - 30
0 - cero             7 - siete            14 - catorce                 21 - veintiuno
1 - uno               8 - ocho            15 - quince                  22 - veintidós
2 - dos               9 - nueve         16 - dieciséis              23 - veintitrés
3 - tres              10 - diez            17 - diecisiete            26 - veintiséis
4 - cuatro         11 - once          18 - dieciocho            30 - treinta
5 - cinco           12 - doce          19 - diecinueve
6 - seis              13 - trece          20 - veinte

Slide 36 - Slide

30 - 100
30 - treinta                                        70 - setenta
31 - treinta y uno                            80 - ochenta
40 - cuarenta                                   90 - noventa
45 - cuarenta y cinco                  100 - cien
50 - cincuenta
58 - cincuenta y ocho
60 - sesenta

Slide 37 - Slide