Les van 21 januari

Les van 21 januari
Wat gaan we doen?
- woordenschat bij test over thema 3 ;
- opzoeken van informatie bij trefwoorden in woordenboek;
- hoofdzinnen en bijzinnen
- dictee;
- spelling: leenwoorden
- werkwoordvervoeging.
1 / 35
next
Slide 1: Slide
Nederlands6th Grade

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Les van 21 januari
Wat gaan we doen?
- woordenschat bij test over thema 3 ;
- opzoeken van informatie bij trefwoorden in woordenboek;
- hoofdzinnen en bijzinnen
- dictee;
- spelling: leenwoorden
- werkwoordvervoeging.

Slide 1 - Slide

Woordenschat

We gaan eerst over naar de woordenschat test die bij thema 3 ("Ik denk") hoort. 

We doen het even anders dan anders, we gaan naar de test zelf via het "delen van het scherm"

Slide 2 - Slide

Taal
We gaan het hebben over het opzoeken van informatie bij een trefwoord in woordenboek.

Hoe werkt een woordenboek ook alweer precies?

Slide 3 - Slide

Trefwoorden en woordenboek
Ga naar blz. 31 uit je taalboek en kijk naar oefening 1.

Wat zie je daar staan?
 

Slide 4 - Slide

Trefwoorden en woordenboek
- Wat is de basisvorm van een woord?
- Wat zijn het aantal betekenissen van een woord?
- Wat is het lidwoord dat bij een woord hoort?
- Wat is het meervoud van dit woord?
- Wat is de betekenis van dit woord als het in een zin wordt     gebruikt?

Slide 5 - Slide

Trefwoorden en woordenboek

Nog steeds blz. 31 uit je taalboek, maar maak nu  oefening 2.


 

Slide 6 - Slide

Woordbetekenis online

Hoe zou jij de betekenis van een woord online opzoeken?


 

Slide 7 - Slide

Woordbetekenis online
Ga naar blz. 40 uit je taalboek en dan kijken we eerst even naar de theorie daar:
- online woordenboek;
- zoekmachine;
- intypen basisvorm van het woord in zoekbalk;
- controleer ALTIJD de verschillende betekenissen;


Slide 8 - Slide

Woordbetekenis online
Nog steeds blz. 40  uit je taalboek en maak de “eerst probeer” oefening en daarna oefening 1 en misschien 2

Slide 9 - Slide

Volgende week een taaltest
Kijk goed naar alle oefeningen in je Taalboekje van thema 3 ("Ik denk"), maar als voor de test zelf wilt oefenen ga je alvast naar het Taalboekje van thema 4 ("Ik wil")--> achterin staan allerlei oefeningen om te oefenen voor de test van thema 3

Slide 10 - Slide

Nieuw thema "Ik wil"
 We gaan beginnen met een nieuw Thema.

Pak het Taalboekje dat bij thema 4 hoort  ("Ik wil").

Dit thema gaat over overtuigen

Slide 11 - Slide

Overtuigen
 - Wat is overtuigen precies?



Slide 12 - Slide

Nieuw thema "Ik wil"
 - Wat is overtuigen precies?

iemand ertoe brengen om jouw standpunt, idee of voorstel te accepteren.

- Wat heb je nodig om iemand te overtuigen?



Slide 13 - Slide

Mening
Om iemand te overtuigen heb je natuurlijk eerst zelf een mening nodig.

Hoe doe je dat?

Slide 14 - Slide

Mening
Hoe doe je dat?
-  je hebt een probleem
- je bekijkt dit probleem van verschillende kanten
- je bedenkt zelf een aantal ideeen/oplossingen
- je kiest een oplossing die ook echt kan worden uitgevoerd
- vervolgens bedenk je argumenten waarmee je iemand kunt overtuigen

Slide 15 - Slide

Wat is er nog meer nodig?

-   argumenten 
- overtuigingskracht 

Slide 16 - Slide

Argumenten

-   argumenten:
 redenen waarom iemand iets wel of niet vindt. Ze kunnen worden gebruikt om standpunten te verdedigen of aan te vallen. Met behulp van argumenten nemen mensen beslissingen of ze iets wel of niet willen doen, of iets wel of niet vinden.

Slide 17 - Slide

Overtuigingskracht
overtuigingskracht :

Als je overtuigend bent, heb je een talent om mensen dingen te laten doen . Je meest overtuigende vriend zou je bijvoorbeeld kunnen overhalen om een ​​ballonvaart te maken, ondanks je hoogtevrees. Mensen kunnen overtuigend zijn door emotie of logica te gebruiken.

Slide 18 - Slide

Hoofdzinnen en bijzinnen

Er kan naast een hoofdzin ook een bijzin bestaan: het geheel vormt 1 hele zin door een voegwoord.

Zo'n zin heet een samengestelde zin.

Slide 19 - Slide

Voegwoorden
Wat is een voegwoord ook alweer?
Voegwoorden zijn woorden die zinnen of (groepen) woorden 'aan elkaar voegen'. Voorbeelden van voegwoorden zijn:
- omdat; 
- en; 
- als; 
- maar;
- omdat.

Slide 20 - Slide

Samengestelde zin
Een samengestelde zin kun je bouwen met twee hoofdzinnen of met een hoofdzin en een bijzin.

Een bijzin kan NOOIT zonder hoofdzin

Een bijzin kan voor of na een hoofdzin staan

Slide 21 - Slide

Samengestelde zin
Pak je nieuwe Taalboekje van thema 4 ("Ik wil") en ga naar blz. 14. 

Daar lezen we even verder bij de theorie v.w.b. een aantal voorbeelden.


Slide 22 - Slide

Hoofdzinnen en bijzinnen
Een hoofdzin:
- Een hoofdzin staat op zichzelf. Een hoofdzin heeft geen andere zin nodig
- In een hoofdzin staan de p.v. en het ond. (bijna) altijd naast elkaar



Slide 23 - Slide

Hoofdzinnen en bijzinnen
Een bijzin:
- Een bijzin begint meestal met een voegwoord
- Een bijzin is afhankelijk van een hoofdzin. Een bijzin kan niet bestaan zonder hoofdzin
- De p.v. staat meestal aan het einde van de zin
- In een bijzin staan het ond. en de p.v. meestal niet naast elkaar


Slide 24 - Slide

Hoofdzinnen en bijzinnen
Mijn vader snijdt de ui en de paprika, terwijl mijn moeder de aardappelen schilt.
Mijn vader snijdt de ui en de paprika hoofdzin: ond. (vader) en p.v. (snijdt) staan naast elkaar
Terwijl mijn moeder de aardappelen schilt bijzin: begint met het voegwoord ‘terwijl’/ het ond (mijn moeder) en de p.v. (schilt) staan niet naast elkaar/ de p.v. (schilt) staat aan het einde van de zin

Slide 25 - Slide

Hoofdzinnen en bijzinnen
Maak of blz. 14 de "eerst proberen oefening" en daarna oefening 1. 

Slide 26 - Slide

.

Slide 27 - Slide

Dictee
We gaan nu een oefen dictee doen.
We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alles en daarna druk je op 'send'

Slide 28 - Slide

Dictee

Slide 29 - Open question

Werkwoordvervoeging
We gaan nog even oefenen met werkwoordvervoeging.

Vul bij de volgende oefeningen de juiste werkwoordvorm in.

Slide 30 - Slide

Ik ........ die beschuldiging ten zeerste.

A
bestrijdt
B
bestrijd
C
bestrijt

Slide 31 - Quiz

Ik heb net heerlijk op de grote golven ........ (surfen)

Slide 32 - Open question

De visser ........ in het kanaal.

A
hengeldt
B
hengelt
C
hengeld

Slide 33 - Quiz

De boze man ........ als een paard.

Slide 34 - Open question

Banksy
Ik neem je mee naar een andere presentatie

Slide 35 - Slide