BLB Lowan thema 6 het huis dag 2 herhaling & dictee

het huis
1 / 42
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1,2

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

het huis

Slide 1 - Slide

Pak je iPad en ga 
naar LessonUp.

Slide 2 - Slide


A
de televe
B
de teevee
C
de televisie
D
de telefiesie

Slide 3 - Quiz


A
het deken
B
het goordien
C
het raamdoek
D
het gordijn

Slide 4 - Quiz


A
de radio
B
de tv
C
de raadieo
D
de redeo

Slide 5 - Quiz


A
de bouwdrij
B
de boerderij
C
de huizen
D
het dierenhuis

Slide 6 - Quiz


A
het grote huis
B
de flaat
C
de flat
D
het lange huis

Slide 7 - Quiz

Wat hoor je?

Slide 8 - Open question

Wat hoor je?

Slide 9 - Open question

Wat hoor je?

Slide 10 - Open question

het appartement

Slide 11 - Drag question

het dorp

Slide 12 - Drag question

de salontafel

Slide 13 - Drag question

de garage
de keuken
de tuin
de schoorsteen
de slaapkamer
de badkamer
de trap

Slide 14 - Drag question

het
de
televisie
appartement
dorp
stad
vloerkleed
salontafel
boerderij
flat
verdieping
bank
eettafel
gordijn
radio

Slide 15 - Drag question

Welk woord is dit? Schrijf ook de / het
s o t f a l l n e

Slide 16 - Open question

Welk woord is dit? Schrijf ook de / het
s o t f a l l n e

Slide 17 - Open question

Welk woord is dit? Schrijf ook de / het
l e e e v s i i t

Slide 18 - Open question

Welk woord is dit? Schrijf ook de / het
j i r e d r e o b

Slide 19 - Open question

Ganzenbord dag 2

Slide 20 - Slide

Dictee woorden dag 2

Slide 21 - Slide

1

Slide 22 - Slide

2

Slide 23 - Slide

3

Slide 24 - Slide

4

Slide 25 - Slide

5

Slide 26 - Slide

6

Slide 27 - Slide

7

Slide 28 - Slide

8

Slide 29 - Slide

9

Slide 30 - Slide

10

Slide 31 - Slide

11

Slide 32 - Slide

12

Slide 33 - Slide

13

Slide 34 - Slide

Leesboekje
Kijk naar de tekst op bladzijde 3

Markeer de tekst
  • Welke lidwoorden lees je?
  • Welke werkwoorden lees je?
  • Welke voorzetsels lees je?

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Tekst bladzijde 3
Ik woon in een huis in de stad.
Jij verhuist van het dorp naar de stad.
Hij woont in een flat met één woonkamer en twee slaapkamers.
Wij blijven in de woonkamer en we kijken naar de televisie.
Zij wil slapen, zij doet de gordijnen dicht.
Jullie wonen in het appartement naast de garage.
De keuken is naast de woonkamer.
De badkamer is naast de slaapkamer.
Op de zolder is ook een slaapkamer.
De schoorsteen is op het dak.
De televisie is in de woonkamer. 

Slide 37 - Slide

Tekst bladzijde 3
Ik woon in een huis in de stad.
Jij verhuist van het dorp naar de stad.
Hij woont in een flat met één woonkamer en twee slaapkamers.
Wij blijven in de woonkamer en we kijken naar de televisie.
Zij wil slapen, zij doet de gordijnen dicht.
Jullie wonen in het appartement naast de garage.
De keuken is naast de woonkamer.
De badkamer is naast de slaapkamer.
Op de zolder is ook een slaapkamer.
De schoorsteen is op het dak.
De televisie is in de woonkamer. 

Slide 38 - Slide

Tekst bladzijde 3
Ik woon in een huis in de stad.
Jij verhuist van het dorp naar de stad.
Hij woont in een flat met één woonkamer en twee slaapkamers.
Wij blijven in de woonkamer en we kijken naar de televisie.
Zij wil slapen, zij doet de gordijnen dicht.
Jullie wonen in het appartement naast de garage.
De keuken is naast de woonkamer.
De badkamer is naast de slaapkamer.
Op de zolder is ook een slaapkamer.
De schoorsteen is op het dak.
De televisie is in de woonkamer. 

Slide 39 - Slide

Het onderwerp van de zin: wie / wat
ik
jij
hij / zij / het
u
wij
jullie
zij
het:
  • de pen
  • het boek
  • de appel
  • het huis
  • het dorp

Slide 40 - Slide

Tekst bladzijde 3
Ik woon in een huis in de stad.
Jij verhuist van het dorp naar de stad.
Hij woont in een flat met één woonkamer en twee slaapkamers.
Wij blijven in de woonkamer en we kijken naar de televisie.
Zij wil slapen, zij doet de gordijnen dicht.
Jullie wonen in het appartement naast de garage.
De keuken is naast de woonkamer.
De badkamer is naast de slaapkamer.
Op de zolder is ook een slaapkamer.
De schoorsteen is op het dak.
De televisie is in de woonkamer. 

Slide 41 - Slide

Vragen bladzijde 3
  1. Wat heeft Mina morgen?
  2. Vindt Mina de rode rok met blauwe trui mooi?
  3. Wie zegt dat Mina niet naar de kledingwinkel mag?
  4.  Waarom is Mina boos?
  5. Wat doet Mina aan naar het feest?

Slide 42 - Slide