Welke voorbeelden ken je? (film, toneel, boek, etc)
Slide 2 - Slide
Motief - Strategie,1 - Tegenkracht - Gevolg - Strategie,2
De emotionele strijd die een personage doormaakt.
Hoe kan een motief voor een probleem zorgen?
Slide 3 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Speel een conflict uit met de mok: Het kopje is te zwaar, koffie is te heet. Koffie is smerig.
Gebruik je mimiek en fysiek om je conflict duidelijk te spelen.
Daarna geef je de mok aan de persoon naast je.
Slide 4 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Dialoog in tweetallen mét een Motief. Gebruik alleen de tekst op het bord.
Het gaat er niet om wat er gezegd wordt, maar hoe het gezegd wordt. Je spel zegt meer dan woorden, gebruik je mimiek, fysiek en toon/stem om betekenis te geven.
Slide 5 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Dialoog in tweetallen mét een motief. Gebruik alleen de tekst op het bord.
Het gaat er niet om wat er gezegd wordt, maar hoe het gezegd wordt. Je spel zegt meer dan woorden, gebruik je mimiek, fysiek en toon/stem om betekenis te geven.
A Hoe gaat het met je?
B Ja goed, met jou?
A Ook goed.
B Mooi zo.
Slide 6 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Dialoog in tweetallen mét een motief. Gebruik alleen de tekst op het bord.
Spelaanwijzing 1#: Persoon B heeft de fiets van A kapot gemaakt. Persoon A weet dit niet.
B wil dit ....geheim houden.
A Hoe gaat het met je?
B Ja goed, met jou?
A Ook goed.
B Mooi zo.
Slide 7 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Dialoog in tweetallen mét een motief. Gebruik alleen de tekst op het bord.
Spelaanwijzing 2#: Persoon B heeft de fiets van A kapot gemaakt. Persoon A weet dit al.
A wil,...dat de ander bang wordt
A Hoe gaat het met je?
B Ja goed, met jou?
A Ook goed.
B Mooi zo.
Slide 8 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Dialoog in tweetallen mét een motief. Gebruik alleen de tekst op het bord.
Spelaanwijzing 3#: Persoon A en B weten allebei dat de fiets van persoon A kapot is gemaakt door persoon B.
A Hoe gaat het met je?
B Ja goed, met jou?
A Ook goed.
B Mooi zo.
Slide 9 - Slide
Warming-Up: "Hoe gaat het?"
Dialoog in tweetallen mét een motief Gebruik alleen de tekst op het bord.
Spelaanwijzing 4#: Persoon A (nu erg verdrietig) en B weten allebei dat de fiets van persoon A kapot is gemaakt door persoon B.
A Hoe gaat het met je?
B Ja goed, met jou?
A Ook goed.
B Mooi zo.
Slide 10 - Slide
Speloefening: Motief - door strategie te kiezen
Slide 11 - Slide
Speloefening:
Je krijgt een spelsituatie en motief
Je staat met je groepje op de vloer, Luister naar de situatie en je motief en speel het uit.
Gebruik je mimiek en fysiek en een emotionele schakel als je een andere strategie kiest om je doel te behalen.
Slide 12 - Slide
Spelopdracht: Conflictsituaties
Docent noemt een conflictsituatie. 2 spelers gaan dit spelen.
Persoon A heeft een motief, persoon B weet niet wat dit is.
Kijkvraag: wordt het conflict duidelijk gespeeld in mimiek en fysiek? Waar is dat aan te zien?
Slide 13 - Slide
Spelopdracht: Conflictsituaties
Groepje van 4: Wie is A en B? Kies een conflictsituatie die 2 mensen gaan spelen. Ander tweetal kijkt.
Persoon A heeft een motief, persoon B weet niet wat dit is.
Gebruik je mimiek, fysiek en stem om je motief te laten zien. Wat zeg je wel en wat zeg je niet?
timer
10:00
Slide 14 - Slide
OPWARMER | NAMENBAL
Afronding les 4
Weet jij het antwoord?
"Als tekst de woorden zijn die je zegt, wat zou dan subtekst betekenen?"