Leesvaardigheid

Leesvaardigheid
Lire en français
1 / 33
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavo, havo, vwoLeerjaar 3,4

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Leesvaardigheid
Lire en français

Slide 1 - Slide

Toetsweek
Leestoets 
100 minuten
12 teksten met vragen 

Voorbereiden?
Teksten oefenen in de klas. 
Online methode de teksten van LIRE (EXTRA) maken.

Slide 2 - Slide

Stappenplan
1. Bekijk eerst de tekst snel
Kijk naar de titel, plaatjes en tussenkopjes
Probeer te bedenken waar de tekst over gaat.

Slide 3 - Slide

Wat weet je al van de inhoud van tekst 4 door het lezen van de titel en het bekijken van het plaatje.

Slide 4 - Mind map

2. Lees de vragen vóór je de tekst goed leest
Zo weet je wat je moet zoeken
Onderstreep sleutelwoorden in de vragen (wie, wat, waar, wanneer)









Slide 5 - Slide

Let dan ook bijv. op signaalwoorden!
Je kunt van twee korte zinnen één zin maken. Je plakt ze dan aan elkaar vast met een signaalwoord.

Bijvoorbeeld zo: Je ne vais pas au cinéma parce que je n’ai plus d’argent.

Andere veelgebruikte verbindingswoorden zijn: et, mais en donc.
Signaalwoorden zijn woorden waarmee je zinnen en alinea’s aan elkaar kunt plakken. Ze geven het verband weer.


Slide 6 - Slide

Waar moet je naar op zoek bij vraag 35?
A
Een persoon
B
Een getal
C
Een dag
D
Een onderzoek

Slide 7 - Quiz

3. Lees de tekst globaal
Lees snel door de tekst heen
Maak je nog geen zorgen over moeilijke woorden

Slide 8 - Slide

Globaal lezen

Titel gelezen en de afbeeldingen bekeken? Dan ga je nu globaal lezen.
  • Lees de inleiding en het slot.
  • Lees de tussenkopjes.
  • Lees de eerste en laatste zin van iedere alinea.

De belangrijkste informatie uit de tekst halen? Beantwoord dan de 6 vragen: 
  • over wie / waarover gaat het?
  • wat gebeurt er?
  • waar?
  • wanneer?
  • waarom?
  • hoe?









Slide 9 - Slide

Noteer voor tekst 3:
Wie:
Wat:
Waar:
Wanneer:

Slide 10 - Mind map

Welke signaalwoorden herken je in Tekst 5? Noem er minimaal 3.

Slide 11 - Open question

4. Zoek gericht naar antwoorden
Ga terug naar de tekst
Zoek woorden uit de vraag terug in de tekst
Lees de zin eromheen goed

Slide 12 - Slide

 Weet je een woord niet?
Betekenis raden + context
Je hoeft niet alle Franse woorden te kennen om een tekst te kunnen begrijpen.
Soms kun je een woord raden. 

1. Je herkent een (bijna) Nederlands woord of je herkent een woord uit een andere taal.
J'ai une question. (Question is hetzelfde in het Engels)
Quel est ton numéro de téléphone? (Je herkent het Nederlandse woord 'telefoonnummer'.

2. Je herkent in het woord een bekend woorddeel.
Il a grandi à Paris. Je herkent het woord grand. Grandir moet wel opgroeien / groot worden betekenen.

3. Je kunt de betekenis afleiden uit de zin of uit de tekst eromheen.
"Amsterdam est la capitale des Pays-Bas". Het is logisch dat 'capitale' hoofdstad betekent.











Slide 13 - Slide

Brooke Raboutou
Je krijgt een tekst.

Welke woorden kun je vertalen omdat ze lijken op het Nederlands of een andere taal? Markeer deze woorden, noteer ze en vertaal ze.
timer
5:00

Slide 14 - Slide

Noteer de woorden
+
Vertaling

Slide 15 - Mind map

6. Schrijf korte antwoorden op
Vaak is één woord of korte zin genoeg
Geen lange zinnen overschrijven

7. Controleer je antwoorden
Klopt het met de tekst?
Heb je alle vragen beantwoord?

Slide 16 - Slide

Lezen 
Ga je een tekst lezen? Gebruik dan het volgende stappenplan.



Stap 1Oriënterend lezen --> Lees eerst de titel en kijk naar de afbeeldingen. Nu kun je vaak voorspellen wat het onderwerp van de tekst is. Kijk ook wat voor soort tekst het is.


Stap 2: Globaal lezen --> Lees de inleiding en het slot, de tussenkopjes en de eerste en laatste zin van iedere alinea.


Stap 3: Intensief lezen -->  Lees nu de rest van de tekst.

Slide 17 - Slide

Stap 1: Oriënterend lezen
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst.

Om het onderwerp te vinden, lees je een tekst alleen maar oriënterend. 
Je leest dan de titel en bekijkt de plaatjes. 

Kijk ook wat voor soort tekst het is: een advertentie, een interview, een internetpagina enzovoort.


Als je weet wat het onderwerp van een tekst is, begrijp je de tekst beter wanneer je hem helemaal leest.

Slide 18 - Slide

Exercice:
Kijk kort naar tekst 5 t/m 9 in je examenboekje.
Bedenk wat de titel betekent en kijk naar de plaatjes.

Schrijf kort op, per tekst, waar je denkt dat de tekst over gaat. Doe dat zo:
Tekst 1:
Tekst 2: 
...
timer
3:00

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Link

Stap 3: Intensief lezen

Heb je de tekst globaal gelezen? Dan ga je als laatste stap de tekst helemaal doorlezen. Als je dat gedaan hebt, weet je precies waar de tekst over gaat.

Let op! Je hoeft niet alle woorden te kennen om de tekst te begrijpen.

Slide 21 - Slide

Lees goed wat er precies gevraagd wordt!
= Zoekend lezen
Zoekend lezen is een manier waarop je kunt lezen. Je leest niet de hele tekst, maar zoekt gericht de informatie die je nodig hebt, bijvoorbeeld hoe duur de kaartjes voor een film zijn of hoe laat het sportjournaal vanavond begint.


Zo lees je zoekend:
  • - Bekijk de titels en tussenkopjes.
  • - Lees de vraag.
  • - Bepaal wat je in de tekst moet gaan zoeken.
  • - Ga op zoek naar de plek waar de gevraagde informatie staat.
  • - Lees het gevonden stuk tekst nauwkeurig door.
  • - Beantwoord de vraag.







Slide 22 - Slide

Lezen - Tekstdoel

Slide 23 - Slide

Exercice
Je krijgt een aantal titels van teksten te zien.
Daar krijg je een vraag over. Zonder dat je dus de tekst erbij hebt.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Waar zou de tekst over gaan die bij deze titel hoort?

Slide 26 - Open question

Slide 27 - Slide

Waar zou de tekst over gaan die bij deze titel hoort?

Slide 28 - Open question

Slide 29 - Slide

Waar zou de tekst over gaan die bij deze titel hoort?

Slide 30 - Open question

Zoek een plaatje dat bij deze titel past:
sculptures de sable

Slide 31 - Open question

Woordenboek gebruiken

Ga naar je docent en haal het boekje (woordenboek gebruiken) op.
Maak de opdrachten die je met een woordenboek F-N kunt maken.

Slide 32 - Slide

Ga nu verder met je teksten.
Eerst bekijken, dan de vraag/vragen lezen en dan pas helemaal doorlezen/op zoek gaan naar het antwoord.

Fini? Dan start je met de volgende vraag.
timer
5:00

Slide 33 - Slide