present perfect U2A 22-1-2023

Never have I ever .....

present perfect 
1 / 35
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 2,3

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Never have I ever .....

present perfect 

Slide 1 - Slide

Present Perfect
Wordt gebruikt als iets in het verleden is gebeurd en nog niet is afgelopen

Slide 2 - Slide

Als je iets nog nooit heb gedaan of je hebt iets altijd al willen doen 
ervaringen
is in het verleden begonnen en nog niet afgelopen
dus present perfect

Slide 3 - Slide

                       Present perfect


        have / has + voltooid deelwoord

Slide 4 - Slide

Wat is dan het voltooid deelwoord?
er zijn 2 verschillende         regelmatige werkwoorden 
                                                           
                                                  onregelmatige werkwoorden
1
2

Slide 5 - Slide

           
             regelmatige werkwoorden       
1
werkwoord + -ed
play - played
walk - walked
work - worked
want - wanted

Slide 6 - Slide

           
             onregelmatige werkwoorden

2
Het derde woord uit de rijtjes 
To do - did - done
to fly - flew - flown
to fight - fought - fought

Slide 7 - Slide

Present perfect:
Wanneer gebruik je de present perfect?
A
het is in het verleden gebeurd en niet belangrijk wanneer.
B
A en C zijn allebei fout
C
Het is in het verleden begonnen en loopt door tot het heden
D
A en C zijn allebei goed

Slide 8 - Quiz

Present perfect:

Wat is de regel van de present perfect?
A
hele werkwoord + -ed. (worked)
B
shit rule= hele ww+ -s
C
vorm van to be (am/are/is) + hele werkwoord + -ing
D
have/has + voltooid deelwoord (helped, found)

Slide 9 - Quiz

PRESENT PERFECT:
the present perfect is used?
A
She had been working until late.
B
She have been working until late.
C
She has worked until late.
D
She has been working until late.

Slide 10 - Quiz

I ............(never to steal) something

Slide 11 - Open question

He ..............(never to be)
a superhero

Slide 12 - Open question

Vragen maken in de present perfect
zet have/has aan het begin van de zin
vb
  • he has eaten at a restaurant
  • has he eaten at a restaurant?

Slide 13 - Slide

ontkenningen maken in de present perfect
Zet not achter have/ has
VB
  • he has eaten in a restaurant
  • he has not eaten in a restaurant

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

before /lately /up till now /for / for how long /just 
already /never /ever /since /so far /yet
signaalwoorden :
(als deze woorden in de zin staan moet je meestal de present perfect gebruiken)

Slide 16 - Slide

Uitzondering
het is wel afgelopen maar je gebruikt toch 
de present perfect

Het is  afgelopen maar het resultaat is belangrijker dan wanneer het is gebeurd.


I have lost my keys.
Je bent niet meer bezig je sleutels te verliezen maar het resultaat ( bv. je kunt je huis niet in) is belangrijker dan wanneer het is gebeurd.

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

past simple
is het al afgelopen?
nee
present perfect
(have/has volt dw)
ja
staat er in de zin
wanneer het is
gebeurd?
ja
nee
present perfect
(have/has volt dw)
ww + ed /
2e vorm onr

ja
no
No
ja

Slide 19 - Slide

He .........................(come / just) home.


A
simple past
B
present perfect

Slide 20 - Quiz

They ...........(buy) their car two years ago.
A
simple past
B
present perfect

Slide 21 - Quiz

I ..............(see / not) anyone yet.
A
simple past
B
present perfect

Slide 22 - Quiz

James ...................(find)
your ring in the garden yesterday.
A
simple past
B
present perfect

Slide 23 - Quiz

We ............(prepare / already) dinner.

A
simple past
B
present perfect

Slide 24 - Quiz

Mary .................(win) the lottery last year.
A
simple past
B
present perfect

Slide 25 - Quiz

is het al afgelopen?
nee
present perfect
(have/has volt dw)
ja
staat er in de zin
wanneer het is
gebeurd?
ja
past simple
nee
present perfect
(have/has volt dw)

Slide 26 - Slide

He ...........(to dance) as a superhero at halloween last year

Slide 27 - Open question

She .........(to buy) a new car

Slide 28 - Open question

we ...........(to buy) a new car
yesterday

Slide 29 - Open question

He .......(to go) to school

Slide 30 - Open question

They ............(to go) to school
this morning

Slide 31 - Open question

He ......(to get)a ride to school this morning

Slide 32 - Open question

He .... (to get) a ride home

Slide 33 - Open question

He ......(to jump) in a puddle this morning

Slide 34 - Open question

Our cats ........(to sleep) in a box last night

Slide 35 - Open question