Adjects, adverbs and future tenses

Adverbs, adjectives and future tenses
1 / 34
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Adverbs, adjectives and future tenses

Slide 1 - Slide

Today: learn and do
What am I going to learn today?
        At the end of this lesson I...

Slide 2 - Slide

Today: learn and do
What am I going to learn today?
        At the end of this lesson I...
                                                              ...will know what adjectives and adverbs are.
                                                              ...can use adjectives and adverbs in sentences.
                                                              ...will know which four ways there are to talk about the future.
                                                              ...can select one of these four tenses to talk about the future.



Slide 3 - Slide

During the lesson I expect you to...

...stay quiet when the teacher is talking.
...Raise your hand.
...Be calm and focused so that everyone can follow the instruction.

Slide 4 - Slide


Give two examples of adjectives.

Slide 5 - Open question


We can use adverbs to describe:
A
verb (een werkwoord)
B
Part of a sentence
C
adjective (bijvoegelijk naamwoord)
D
another adverb

Slide 6 - Quiz


He laughs loudly

Loudly is een adverb. Wat beschrijf hij?
A
verb (een werkwoord)
B
Part of a sentence
C
adjective (bijvoegelijk naamwoord)
D
another adverb

Slide 7 - Quiz


Unfortunately, we lost the match. 

Unfortunately is een adverb. Wat beschrijf hij?
A
verb (een werkwoord)
B
Part of a sentence
C
adjective (bijvoegelijk naamwoord)
D
another adverb

Slide 8 - Quiz


She works most efficiently

Hoeveel adverbs hebben we in deze zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 9 - Quiz


She works most efficiently

Most is een adverb. Wat beschrijf hij?
A
verb (een werkwoord)
B
Part of a sentence
C
adjective (bijvoegelijk naamwoord)
D
another adverb

Slide 10 - Quiz


The traffic is extremely bad.

Benoem de adjective en adverb. Vul het zo in:
adjective - adverb (inclusief streepje!)

Slide 11 - Open question


That movie was really boring.

Benoem de adjective en adverb. Vul het zo in:
adjective - adverb (inclusief streepje!)

Slide 12 - Open question


We were too loud.

Benoem de adjective en adverb. Vul het zo in:
adjective - adverb (inclusief streepje!)

Slide 13 - Open question


Maak een zin met daarin een adverb en een adjective.
Beschrijf het weer.
Tip: denk aan temperaturen. Begin je zin met: The weather...

Slide 14 - Open question


Can you use adverbs and adjectives in sentences?
😒🙁😐🙂😃

Slide 15 - Poll

Op welke vier manieren kunnen we praten over de toekomst?
(future tenses)

Slide 16 - Mind map


The train__________at 8:30 a.m..

A
leaves
B
is leaving
C
is going to leave
D
will leave

Slide 17 - Quiz

Future tenses: present simple
The train leaves at 8:30 a.m. 

Als we spreken over zaken die in de toekomst gaan gebeuren en vastliggen in een (tijds)schema, gebruiken we de present simple. 

Het is zeer waarschijnlijk dat dit gaat gebeuren (ook als je er zelf niet bent). 

Slide 18 - Slide


A: what are you doing this afternoon?
B: I______________some new clothes. 
A
buy
B
am buying
C
am going to buy
D
will buy

Slide 19 - Quiz

Future tenses: to be going to
I'm going to buy some new clothes. 

Als we al iets van plan waren voor het gesprek maar we er nog niets concreets voor geregeld hebben, dan gebruiken we "to be going to". 

Het staat in de planning, maar je bent nog niet helemaal zeker dat dit ook echt gaat gebeuren. 

Slide 20 - Slide


Look at those dark clouds. It_____________soon.
A
rains
B
is raining
C
is going to rain
D
will rain

Slide 21 - Quiz

Future tenses: to be going to
Look at those dark clouds. It is going to rain soon. 

Als er een duidelijke aanwijzing is waardoor je denkt dat iets gaat gebeuren, dan gebruiken we to be going to.

Het is een aanwijzing dat het gaat regenen maar het kan ook overwaaien. Zeker ben je niet maar het is geen voorspelling want je baseert het op een aanwijzing. 

Slide 22 - Slide


Perhaps the sun _________ tomorrow.
A
shines
B
is shining
C
is going to shine
D
will shine

Slide 23 - Quiz

Future tenses: will/shall
Perhaps the sun will shine tomorrow.

Een voorspelling zonder bewijs. Erg onzeker, je baseert het nergens op. Perhaps verraadt ook dat het nog erg onzeker is. We gebruiken will (won't voor ontkenning en Shall bij vragen. 

Het is erg onzeker dat dit gaat gebeuren.  

Slide 24 - Slide


I _______ him this afternoon
A
meet
B
am meeting
C
am going to meet
D
will meet

Slide 25 - Quiz

Future tenses: present continuous
I'm meeting him this afternoon.

Als we al iets van plan waren voor het gesprek en we hebben er iets concreets voor geregeld dan gebruiken we de present continuous.

Het is al afgesproken dus je kunt er vanuit gaan dat dit wel gaat gebeuren. Vrij waarschijnlijk. 

Slide 26 - Slide


We ________ you some food, okay?
A
get
B
are getting
C
are going to get
D
will get

Slide 27 - Quiz

Future tenses: will/shall
We'll get you some food, okay?

Als er tijdens het gesprek een beslissing wordt gemaakt (dus nog niet voor het gesprek plaatsvond) dan gebruiken we will. 

Slide 28 - Slide

Wat is jouw beste tip voor de klas om Engels te leren? 

Slide 29 - Mind map

Tips from the teacher
Tip 1:
Zorg dat je altijd de goede stappen neemt!
Bedenk je eerst: welke grammatica moet ik gebruiken? Welke aanwijzingen geeft de opdracht mij? Welke spellingsregels hoorde daar ook alweer bij? (Leer dit dus ook!)




Slide 30 - Slide

Tips from the teacher
Tip 1:
Zorg dat je altijd de goede stappen neemt!
Bedenk je eerst: welke grammatica moet ik gebruiken? Welke aanwijzingen geeft de opdracht mij? Welke spellingsregels hoorde daar ook alweer bij? (Leer dit dus ook!)

Tip 2:
Lees heel goed wat er staat! Er worden veel fouten gemaakt door verkeerd lezen.


Slide 31 - Slide

Tips from the teacher
Tip 1:
Zorg dat je altijd de goede stappen neemt!
Bedenk je eerst: welke grammatica moet ik gebruiken? Welke aanwijzingen geeft de opdracht mij? Welke spellingsregels hoorde daar ook alweer bij? (Leer dit dus ook!)

Tip 2:
Lees heel goed wat er staat! Er worden veel fouten gemaakt door verkeerd lezen.

Tip 3: 
Gebruik de "Versterk Jezelf" en de "Woordentrainer" in allright! om jezelf te overhoren. Word je overhoord door je ouders? Schrijf dan altijd het antwoord op! Spellingsfouten zijn onnodige fouten. 

Slide 32 - Slide

Tips from the teacher
Reminder!
De toets bestaat voor de helft uit reading en de helft uit de kennistoets.
Beide toetsen worden apart nagekeken en beoordeeld. Het gemiddelde is je eindcijfer.

Je mag zelf weten of je begint met reading of de kennistoets.


Slide 33 - Slide

Tips from the teacher
Reminder!
De toets bestaat voor de helft uit reading en de helft uit de kennistoets.
Beide toetsen worden apart nagekeken en beoordeeld. Het gemiddelde is je eindcijfer.

Je mag zelf weten of je begint met reading of de kennistoets.

Mijn advies:
Begin met de kennistoets, sla alle vragen over die je niet direct kunt opschrijven. 
Ga daarna door met reading (neem hier tenminste 30 minuten voor).
Keer terug naar je kennistoets en vul alle antwoorden in waar je langer over na moet denken.


Slide 34 - Slide