Rekenen aftrekken les 2

Rekenen aftrekken les 2

1 / 27
next
Slide 1: Slide
New lesson editorWiskundeVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Rekenen aftrekken les 2

Lesdoel

Aan het eind van de les:

  • Kun je rijgen bij aftreksommen

  • Kun je aftrekken onder elkaar

  • Ken je 14 begrippen die belangrijk zijn voor IVIO.


Herhaling

Optellen


  • Je kan rijgen door het 2e getal te splitsen: 364 + 128 = 364 + 100 + 20 + 8

  • Je kan ook beide getallen splitsen: 364 + 128 = 300 + 60 + 4 + 100 + 20 + 8

  • Je mag een optelling omdraaien: 26 + 253 = 253 + 26

  • Getallen makkelijker maken:

Wat je bij het ene getal optelt, haal je bij het andere getal eraf : 364 + 128 = 362 + 130

Aftrekken


  • Je kan rijgen door het 2e getal te splitsen: 364 - 122 = 364 - 100 - 20 - 2

  • Je mag een aftrekking niet omdraaien

  • Getallen makkelijker maken zie de volgende 2 voorbeelden


Handig rekenen

83-49

Tel er bij beide getallen 1 op.

84-50=34

Handig rekenen

241-121

Trek er bij beide getallen 1 af.

240-120=

Even oefenen

381                               216                                         512

240                              134                                         316

_____ -                         _____ -                                    _____ -

Oefenen IVIO 

Hoeveel minuten zitten er in een uur?

A

15

B

30

C

45

D

60

Hoeveel uur is een etmaal?

A

48

B

12

C

24

D

8

Hoe noemen we ook wel 10 jaar?

A

Eeuw

B

Decennium

C

Millenium

D


Hoe noemen we ook wel 100 jaar?

A

Eeuw

B

Decennium

C

Millenium

D


Hoe noemen we ook wel 1000 jaar?

A

Eeuw

B

Decennium

C

Millenium

D


Hoeveel kwartalen zitten er in een jaar?

A

1

B

2

C

3

D

4

Hoeveel maanden is een kwartaal

A

1

B

2

C

3

D

4

Hoe bereken je de oppervlakte?

A

Lengte x breedte

B

Lengte x breedte x hoogte

C

Lengte x Lengte

D

Breedte x hoogte

Hoeveel centimeter past er in een meter?

A

10

B

100

C

1000

D

10.000

Hoeveel kg is 1 ton?

A

1.000.000 kg

B

100 kg

C

100.000 kg

D

1.000 kg

Hoe bereken je de omtrek?

A

Alle zijdes bij elkaar optellen.

B

Lengte x breedte

C

Lengte x breedte x hoogte

D


Hoeveel Euro (€) is 1 ton?

A

100.000

B

10.000

C

1.000

D

100

Hoe noemen we dit figuur?

Hoe noemen we dit figuur?

Hoe noemen we dit figuur?

Hoe bereken je de inhoud?

A

Lengte x breedte

B

Lengte x breedte x hoogte

C

Alle zijdes bij elkaar optellen.

D


Ik heb iets van deze les geleerd.

1

Helemaal niet eens

2

Niet eens

3

Neutraal

4

Eens

5

Helemaal eens