examenvoca en synoniemen 2

1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

les objectifs d'apprentissage
  • Tijdens het examen heb je niet veel tijd om van alles op te zoeken dus is een goede woordenschat van belang. 
  • je kent belangrijke synoniemen.
  • Je kent de meest voorkomende vragen en (signaal)woorden.


Slide 2 - Slide

Pourquoi appelle-t-on =
A
Waarom komt men
B
Wanneer komt men
C
Waarom noemt men
D
Wanneer noemt men

Slide 3 - Quiz

En quoi consiste =
A
Waaruit bestaat
B
waarom bestaat
C
Wanneer bestaat
D
welke bestaat

Slide 4 - Quiz

Comment exprime - t- il =

Slide 5 - Open question

noteer zoveel mogelijk vraagwoorden in het Frans

Slide 6 - Mind map

Dans quel but =

Slide 7 - Open question

wat betekent attitude in de zin:
Quelle est l'attitude de l'auteur?
A
manier
B
mening
C
idee
D
houding

Slide 8 - Quiz

De quoi s'agit-il =
A
Waar gaat het over
B
waarom is het zo dat
C
Wat wordt er gezegd over
D
Wat is de reden

Slide 9 - Quiz

Wat betekent selon in:
Selon l'auteur

Slide 10 - Open question

Qu'est qu'il avoue=
A
Wat ontkent hij
B
Waaruit bestaat het
C
Wat geeft hij toe
D
Wat neemt hij aan

Slide 11 - Quiz

synoniem van interdit =
A
résolu
B
défendu
C
bienvenue
D
absolu

Slide 12 - Quiz

synoniem van le plan=
A
le projet
B
le pivoine

Slide 13 - Quiz

synoniem van pas cher =
A
cheape
B
bon marché

Slide 14 - Quiz

synoniem van un animal =
A
un mouton
B
un bête

Slide 15 - Quiz

synoniem van construire =
A
constructer
B
bâtir
C
démolir
D
avenir

Slide 16 - Quiz

synoniem van surpris
A
evolué
B
étonné
C
surveillé
D
surprendé

Slide 17 - Quiz

een ander (Frans) woord voor
ne....que =

Slide 18 - Open question

synoniem van parfois =
A
quelquefois
B
autrefois

Slide 19 - Quiz

een ander woord voor difficile =

Slide 20 - Open question

Sur quoi se fonde-t-il =
A
Waarom bedenkt hij dit
B
Waarop baseert hij zich
C
Waarom bedenkt hij zich
D
Waarop drukt hij zich uit

Slide 21 - Quiz

welke signaalwoorden (2) geven een conclusie/ gevolg aan?
A
en fin de compte
B
c'est pourquoi
C
grace à
D
par conséquent

Slide 22 - Quiz

c'est à dire =

Slide 23 - Open question

synoniem van bref =
A
en somme
B
alors que
C
loin de
D
au contraire

Slide 24 - Quiz

Sleep de juiste vertalingen van de ontkenningen naar elkaar toe. Sleep blauw naar rood!
alleen maar
nooit
niet meer
nog niet
niets
ne ... rien
ne ... pas encore
ne.....que
ne ... jamais
ne ... plus

Slide 25 - Drag question

Que peut-on déduire du texte=
A
wat kan men concluderen in de tekst
B
wat kan men aanwijzen in de tekst
C
wat kan men laten zien in de tekst
D
wat kan men afleiden uit de tekst

Slide 26 - Quiz