Nederlands, woensdag 14 januari, inval HSM

Thema 5 Vakantie H1 Belangrijke woorden
timer
10:00
Eerst even rustig lezen!
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Thema 5 Vakantie H1 Belangrijke woorden
timer
10:00
Eerst even rustig lezen!

Slide 1 - Slide

Nieuw thema!
Thema 5 vakantie
Tekst

Slide 2 - Slide

Opbouw van de les
  • Lesdoelen
  •  speeddates vakantie
  • Lezen van de belangrijke woorden
  • Oefeningen met de belangrijke woorden
  • Aan het werk in het boek + studiemeter
  • Evaluatie

Slide 3 - Slide

Hoofdstuk 1 Belangrijke woorden
Lesdoelen:
  • Aan het eind van deze les ken je de belangrijke woorden van dit hoofdstuk.
  • Aan het eind van deze les kun je deze woorden in een zin gebruiken.

Slide 4 - Slide

speeddates
- Zet de tafels in een vierkant.
- De helft van de klas gaat in de binnencirkel zitten en de andere helft in de buiten cirkel tegenover een klasgenoot.
- Steeds komt er een vraag op het bord waar je samen een minuut over gaat praten. Zorg dat je elkaar goed uitvraagd!
- Daarna draait de binnencirkel een plaats door naar links.

Slide 5 - Slide

speeddates
Kijk elkaar aan tijdens het gesprek.
Vraag door als iemand iets verteld.
Probeer uitgebreid te antwoorden.

Slide 6 - Slide

Wat is je favoriete vakantie land en waarom?
timer
1:00

Slide 7 - Slide

Wat is je favoriete soort vakantie en waarom?
(zon/zee, actief, bergen, wandel, feest)
timer
1:00

Slide 8 - Slide

Met wie ga je het liefst op vakantie en waarom?
timer
1:00

Slide 9 - Slide

Wat was je grootste vakantieblunder?
timer
1:00

Slide 10 - Slide

Op welke manieren heb je al ooit gereisd?
(auto, trein, bus, vliegtuig, fiets, te voet, motor)
timer
1:00

Slide 11 - Slide

Wat is de ergste vakantie die je je voor kan stellen?
timer
1:00

Slide 12 - Slide

Wat is de leukste activiteit om te doen op vakantie en waarom?
timer
1:00

Slide 13 - Slide

Jullie krijgen nu allemaal een formulier waarop je hetgeen dat je zojuist te weten bent gekomen invult. 


Schrijf bij iedere vraag de naam van degene op met wie je samen zat en schrijf in een aantal zinnen (minimaal 2) op wat je te weten bent gekomen.

Lever het formulier in bij de docent!

Slide 14 - Slide

Aan welke woorden denk je bij het woord vakantie?

Slide 15 - Mind map

Belangrijke woorden lezen
Je krijgt 5 min. om de belangrijke woorden op blz. 114 en 115 te lezen.
timer
5:00

Slide 16 - Slide

Wij moesten de vakantie annuleren.

Wat is annuleren?
A
Afzeggen
B
Regelen
C
Uitzoeken
D
Bekijken

Slide 17 - Quiz

Je moet even bellen om te bevestigen.

Wat is bevestigen?
A
Regelen
B
Vragen
C
Aangeven dat het doorgaat
D
Aangeven dat het niet doorgaat

Slide 18 - Quiz

In Parijs bezichtigen we de Eiffeltoren.

Wat is bezichtigen?
A
Beklimmen
B
Beschilderen
C
Bezoeken
D
Bekijken

Slide 19 - Quiz

Wat is controleren?
A
Vergeten
B
Reserveren
C
Bestuderen
D
Nakijken

Slide 20 - Quiz

De bagage
A
Een bewijs waarmee je laat zien wie je bent
B
Als er iets heel ergs gebeurt
C
koffers en tassen die je meeneemt op reis
D
Een rekje

Slide 21 - Quiz

Wat is de bestemming?
A
De plaats waar je vandaan komt.
B
De reis die je maakt.
C
Je stem.
D
De plaats of het land waar je naartoe gaat.

Slide 22 - Quiz

de bezienswaardigheid
A
de zienswijze
B
iets wat de moeite waard is om te bekijken of te bezoeken
C
waardevolle spullen

Slide 23 - Quiz

de brochure
A
blad of boekje met informatie
B
een folder
C
een boekje

Slide 24 - Quiz

De douane
A
De brandweer die een school controleert
B
De luchthaven
C
De plek waar je je paspoort ophaalt
D
De grenspolitie van een land.

Slide 25 - Quiz

De groep heeft morgen een excursie.

De betekenis van excursie =
A
leerzaam uitstapje
B
uitstapje
C
schoolreisje
D
schrijfopdracht voor school

Slide 26 - Quiz

Wat zijn reisdocumenten?
A
paspoort en identiteitsbewijs
B
diploma's
C
alle belangrijke papieren voor een reis, zoals paspoort of vliegtickets
D
vliegtickets

Slide 27 - Quiz

Vaccinatie
wat is dat?
A
inenting of een prik
B
immuniteit
C
infectie
D
antistof

Slide 28 - Quiz

Wat is de valuta?
A
De vlag van een land.
B
Het eten van een land.
C
De taal van een land.
D
Geldsoort van een land.

Slide 29 - Quiz

genieten
A
ergens plezier aan beleven
B
moeilijk vinden
C
makkelijk vinden
D
verdrietig vinden

Slide 30 - Quiz

het budget
A
bedekking
B
bedrag dat je kunt besteden

Slide 31 - Quiz

Wat is toerisme?
het toerisme
A
Op vakantie gaan
B
Als mensen voor hun plezier een reis of uitstapje maken.
C
Activiteiten die je uitvoert in je thuis- en leefomgeving
D
Alles wat met vrije tijd en ontspanning buiten de eigen omgeving te maken heeft

Slide 32 - Quiz

Ik neem volgende week verlof op bij mijn baas.
Wat is verlof?
A
Werkdagen op het werk
B
Vrije dagen die je krijgt van je werk
C
Extra werkuren tijdens het werk
D
Ontslag van het werk

Slide 33 - Quiz

Wat is een visum?
het visum
A
Een creditcard
B
Een paspoort voor minderjarigen
C
Aanvraag voor asiel
D
Een vergunning om een ander land in of uit te reizen

Slide 34 - Quiz

Maak met het volgende woord een zin:
Genieten

Slide 35 - Open question

Maak met het volgende woord een zin:
De reisdocumenten

Slide 36 - Open question

Maak met het volgende woord een zin:
bezichtigen

Slide 37 - Open question

Aan het werk ( tot 9:55):
Boek: Maak de opdrachten 1, 2, 3 en 4
(blz. 116 t/m 119)
Kom daarna opd. 5 bij de docent halen (op los blaadje maken)

Klaar-->
Studiemeter: Via starttaal online - via vervolg - thema 5 vakantie - belangrijke woorden - woordenschat

Slide 38 - Slide

Weet ik wat de moeilijke woorden betekenen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 39 - Poll

Kan ik de moeilijke woorden gebruiken in een zin?
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Poll

Volgende week
Toets Muziek bespreken
Opdrachten woordenschat nakijken
Spelling en grammatica

Slide 41 - Slide