1. Dit ben ik

Leerdoelen
Ik kan zeggen wie ik ben.
Ik kan iets vragen aan een andere leerling.
Ik kan iets vragen in een andere klas.

Hoe?
Ik leer de belangrijkste woorden en zinnen.
Ik stel mezelf voor aan leerlingen van een andere klas.
Ik geef een korte presentatie over mezelf.

1 / 29
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 29 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 300 min

Items in this lesson

Leerdoelen
Ik kan zeggen wie ik ben.
Ik kan iets vragen aan een andere leerling.
Ik kan iets vragen in een andere klas.

Hoe?
Ik leer de belangrijkste woorden en zinnen.
Ik stel mezelf voor aan leerlingen van een andere klas.
Ik geef een korte presentatie over mezelf.

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Luister naar de docent.
Ik leer woorden.

Slide 2 - Slide

Luister naar de docent.
Stel jezelf voor aan een leerling. Gebruik de volgende woorden:
• Hallo
• Ik ben ...
• En jij?
• Hoe heet jij?
Bekijk samen de afbeeldingen en gebruik deze woorden en zinnen om te beschrijven wat er gebeurt.

Ik oefen. 

Slide 3 - Slide

Variatie
Breid het voorstellen uit volgens het script , als de leerlingen dit aankunnen. Doe dit op de ‘ik-wij-jij’-manier: spreek eerst zelf de zinnen uit, doe dit dan met de hele klas en laat de leerlingen daarna
een voor een zinnen uitspreken. Oefen tot het vlot gaat.
stap 1: 
De docent praat.

stap 2: 
We praten samen.

stap 3: 
Jij praat.
Ik praat mee.

Slide 4 - Slide

Luister naar de docent. Praat mee.
Doe de Praatjes (zie de handleiding). Doe eerst het eerste Praatje tot het vlot gaat, daarna het tweede Praatje en
tot slot het derde Praatje.

Differentiatie
• Alfa A en B moeten de verschillende woorden kunnen nazeggen.

• Alfa B en C lezen na twee keer mee met het Praatje.
• Alfa C moet ook de intonatie goed overnemen.
Schrijf de woorden over.
Schrijf de zinnen over. 
Schrijf de woorden over. 
Schrijf de zinnen over. 

Slide 5 - Slide

Schrijf de woorden over./Schrijf de zinnen over./Schrijf de zinnen op.
Begeleid de leerlingen bij het (over)schrijven van de woorden en zinnen.
Ik leer woorden.

Slide 6 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 7 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
stap 1: 
De docent praat.

stap 2: 
We praten samen.

stap 3: 
Jij praat.
Ik praat mee.

Slide 8 - Slide


Zie vorige slide. 

Daarna:
Lees de tekst.
Doe nogmaals het Praatje en laat de leerlingen die dat kunnen meelezen.
De leerlingen lezen pas mee als het meepraten vlot gaat.

Differentiatie
Alfa A-leerlingen steken hun hand op als ze een bepaald woord, zoals een ‘land’ of een ‘naam’, horen.
Ik leer woorden.

Slide 9 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 10 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 11 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 12 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 13 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 14 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 15 - Slide

Luister naar de docent.
Print de afbeeldingen uit de bijlage en knip er kaartjes van.
Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Ik leer woorden.

Slide 16 - Slide

Luister naar de docent.

Laat één kaartje aan de klas zien en zeg wat erop staat. De leerlingen herhalen de vraag. Wijs een leerling aan
en laat die antwoord geven met ja of nee. De docent stelt nogmaals de vraag en de leerling geeft nogmaals het
antwoord, tot het vlot gaat.
Bied nu nog enkele kaartjes aan op dezelfde manier.
Wij oefenen.

Slide 17 - Slide

De kring rond.
Doe De kring rond (klik hier). 
Gebruik de kaartjes als taalsteun.
Differentiatie
Alfa A geeft antwoord met ja of nee in plaats van in hele zinnen.
Variatie 1
Laat de leerlingen door de klas lopen en elkaar begroeten. Laat ze eerst oefenen met: Wie ben jij? En daarna
met Hoi, ik ben…
Laat ze daarna oefenen met Waar woon je? Ik woon in… En daarna met En waar kom jij vandaan? Ik kom uit…
Variatie 2
Laat de leerlingen een vraag vinden waarop ze Ik ook! kunnen antwoorden.
Ik schrijf.

Slide 18 - Slide

Namen schrijven.
Laat leerlingen de namen van een paar klasgenoten opschrijven.
Differentiatie
• Alfa A schrijft de eigen naam (over).
• Alfa B en C schrijven de namen van meerdere klasgenoten (over).
Luister naar de docent. 


Ik praat met jou.
• Wat is jouw geboortedatum?

• In welk land ben jij geboren?

• In welke plaats ben jij geboren?

Slide 19 - Slide

Luister naar de docent.
Bied de woorden geboren, geboortedatum en plaats aan. Gebruik bijvoorbeeld een legitimatiebewijs of
verblijfsvergunning als voorbeeld: wijs de datum aan en leg uit waar deze datum op doelt. Vraag leerlingen in welk jaar ze geboren zijn. Oefen met de leerlingen in het noemen van hun geboortejaar, tot iedereen het
vlot kan zeggen.

Bied de volgende zinnen aan:
• Wat is jouw geboortedatum?
• In welk land ben jij geboren?
• In welke plaats ben jij geboren?
Oefen met het geven van antwoorden op deze vragen.
Praat samen.Zeg wie je bent.
Ik praat met jou.

Slide 20 - Slide

Praat samen.
Laat de leerlingen de vragen op de strookjes lezen. Wellicht zijn de woorden lastig te lezen voor de minder
gevorderde leerlingen. Werk dan toe naar herkenning van de woorden als ‘beeld’. Ook kan een tekeningetje of
een symbool worden toegevoegd. 

Laat de leerlingen eventueel zelf nog twee vragen bedenken. Noteer deze op de strookjes. Bijvoorbeeld: Wat is
jouw geboorteplaats? Wat is jouw geboorteland? Ben je in een stad geboren? Ben je in een ziekenhuis geboren?
Verdeel de leerlingen in twee kringen: een binnenkring en een buitenkring. Geef de leerlingen in de
binnenkring een strookje met een vraag erop.
Begeleid de leerlingen bij de gestuurde spreekopdracht Binnenkring-buitenkring (zie de handleiding).
Differentiatie
Alfa C antwoordt in complete zinnen
Luister naar de docent. 

Ik praat met jou.
Mijn naam is ...
Ik ben ... jaar oud.
Mijn geboortedatum is ....
Ik woon in ....
Naam: ...
Oud: ... jaar
Geboortedatum: ...
Woont in: ...
En jij?

Slide 21 - Slide

Luister naar de docent.
De docent stelt zichzelf voor aan de klas, als voorbeeld:
Mijn naam is ...
Ik ben ... jaar oud.
Mijn geboortedatum is ....
Ik woon in ....
Schrijf de informatie zo op het bord:
Naam: ...
Oud: ... jaar
Geboortedatum: ...
Woont in: ...
Stel de vraag En jij? Wat is jouw naam? aan een gevorderde leerling en laat die zich op dezelfde manier
voorstellen aan de klas. Schrijf ook op het bord: Naam, oud ... jaar, woont in ....
Bouw op door eerst naam en leeftijd goed in te oefenen en voeg daarna geboortedatum toe en daarna ook
woont in.
Laat alle leerlingen even nadenken over hoe zij zichzelf op deze manier zouden voorstellen.

Praat samen. Zeg wie je bent.
Maak duo’s van leerlingen op verschillende niveaus. Laat ze zich met deze drie zinnen aan elkaar voorstellen.
Begeleid de leerlingen als ze in duo’s aan de slag gaan.
Ik schrijf.

Slide 22 - Slide

Luister naar de andere leerling. Schrijf op: wie is het?

Laat een Alfa C-leerling zich voorstellen alsof hij een klasgenoot is. Leerlingen hebben soms moeite met
‘alsof’-spelletjes, het kan dus lastig zijn om een andere klasgenoot te omschrijven. Doe dit eventueel een
paar keer voor. De andere leerlingen raden wie het is.
Laat de leerlingen daarna opschrijven: wie is het?
Differentiatie
• Alfa A en B schrijven de naam op en geven aan of degene die omschreven wordt een jongen dan wel meisje is.
• Alfa C vult informatie in over degene die omschreven wordt.
Ik lees.

Slide 23 - Slide

Ronde 1
Lees de teksten voor. De leerlingen luisteren (en lezen dus nog niet mee). Herhaal eventueel.
Ronde 2
Laat de leerlingen de tekst(en) lezen, zelfstandig, in duo’s of onder begeleiding van de docent.
Snelle leerlingen kunnen de tekstjes ook al lezen als ze eerder klaar zijn met oefeningen in de les
en lezen nu opnieuw, of doen een schrijfoefening met de teksten.
Differentiatie
• Alfa A leest de dikgedrukte woorden. De docent begeleidt bij het lezen.
• Alfa C schrijft de verhalen (uit het hoofd) over.
Ronde 3
Laat de leerlingen de inhoud van de tekstjes actief verwerken. Kies hiervoor een van de oefeningen uit
de handleiding Lezen
Ik speel het spel.

Slide 24 - Slide

Luister naar de docent.
Omschrijf één voor één de leerlingen die op het werkblad staan afgebeeld aan de hand van zinnen over leeftijd,
land van herkomst, geslacht etc. Wijs de foto’s aan.
Wie is het? Wijs aan.
Omschrijf nogmaals de afbeeldingen alsof de leerling op de foto zelf praat, bijvoorbeeld: Ik heet Tao.
Ik kom uit Japan. Ik hou van voetbal. Etc.
Laat de leerlingen een foto op hun werkblad aanwijzen.
Variatie
Maak teams: één team omschrijft een afbeelding, het andere team raadt. Of vraag leerlingen om
een klasgenoot te omschrijven.
Differentiatie
• Alfa A wijst alleen aan.
• Alfa B/C beantwoordt vragen.
Start in de klas.
Naar buiten. Wie ben jij?

Slide 25 - Slide

Luister naar de docent. Praat samen.
Bespreek met de leerlingen hoe je je kunt voorstellen aan iemand die je niet kent. Wat vertel je over jezelf
(naam, leeftijd, waar je vandaan komt, waar je woont) en welke vragen stel je aan de ander?
Leg de leerlingen uit dat ze zich gaan zich voorstellen aan iemand die ze niet kennen, in een vertrouwde
omgeving. Bijvoorbeeld aan leerlingen uit een andere klas of van een ander schooldeel. Bespreek: Wat gaan
de leerlingen zeggen? Oefen met de leerlingen wat ze kunnen zeggen. Welke woorden en zinnen kunnen ze
gebruiken? Laat ze deze noteren bij Stap 1. Bijvoorbeeld:
• He, hallo! Hoe heet jij?
• Hoi. Wat is je naam?
• Hoi. Ik ben .... En jij?
Variatie
Laat leerlingen een kennismakingsgesprekje met elkaar voeren alsof ze elkaar niet kennen.
Stap 1. Taal?
Laat de leerlingen de woorden en zinnen die ze willen onthouden hier opschrijven.
Stap 2. en 3. Hoe? Nodig?
Laat leerlingen bedenken hoe ze het gaan aanpakken en wat ze nodig hebben en laat ze dit opschrijven of
aanvinken in het formulier. Wanneer gaan ze de opdracht doen en met wie? Moeten er praktische zaken
geregeld worden? Willen ze bijvoorbeeld tekeningen of foto’s ter steun meenemen? Verdeel de leerlingen in
groepjes van drie. Verdeel de Alfa A-leerlingen onder de Alfa B- en C-leerlingen. Bepaal een tijd. Bespreek
en laat zo veel mogelijk noteren.
Stap 4. Doen!
Laat hier aantekeningen maken voor zichzelf voor wat ze gaan doen, of waar ze op moeten letten (duidelijk
praten, niet één maar drie vragen stellen, etc., als geheugensteun). Controleer of bij elke leerling duidelijk is wat hij/zij straks moet doen: laat elke leerling vertellen waar hij naartoe gaat en welke vragen hij daar gaat stellen.
Variatie
Vraag eerst enkele gevorderde leerlingen dit klassikaal voor te doen en laat de leerlingen daarna in tweetallen
nog eens oefenen.
Voorbereiding in de klas:  Vul de taalkaart in.
Naar buiten. Wie ben jij?

Slide 26 - Slide

Stap 1. Taal?
Laat de leerlingen de woorden en zinnen die ze willen onthouden hier opschrijven.
Stap 2. en 3. Hoe? Nodig?
Laat leerlingen bedenken hoe ze het gaan aanpakken en wat ze nodig hebben en laat ze dit opschrijven of
aanvinken in het formulier. Wanneer gaan ze de opdracht doen en met wie? Moeten er praktische zaken
geregeld worden? Willen ze bijvoorbeeld tekeningen of foto’s ter steun meenemen? Verdeel de leerlingen in
groepjes van drie. Verdeel de Alfa A-leerlingen onder de Alfa B- en C-leerlingen. Bepaal een tijd. Bespreek
en laat zo veel mogelijk noteren.
Stap 4. Doen!
Laat hier aantekeningen maken voor zichzelf voor wat ze gaan doen, of waar ze op moeten letten (duidelijk
praten, niet één maar drie vragen stellen, etc., als geheugensteun). Controleer of bij elke leerling duidelijk
is wat hij/zij straks moet doen: laat elke leerling vertellen waar hij naartoe gaat en welke vragen hij daar
gaat stellen.
Naar een andere klas.
Naar buiten. Wie ben jij?

Slide 27 - Slide

Laat de leerlingen de Naar buiten-opdracht doen. Laat ze de opdracht op papier meenemen.
Variatie
Begeleid de leerlingen bij de ontmoeting met de andere klas. Begeleid de leerlingen bij het schrijven (en/of
tekenen) van de gegevens van de andere leerling. Dit kan tijdens de ontmoeting maar kan ook later in de klas.
Differentiatie
• Alfa A luistert en loopt mee met B/C-leerlingen. Alfa A stelt wel ten minste één vraag.
• Alfa B/C schrijft de informatie op de werkbladen, Alfa A schrijft dit over.
Terug in de klas.

Slide 28 - Slide

Hoe ging het?
Bespreek met de leerlingen de activiteit na. Besteed hierbij aandacht aan de uitvoering van de opdracht, op
inhoud en uitvoering, of laat presenteren. Vraag met welke leerlingen ze kennis hebben gemaakt door te
vragen naar de poppetjes op het werkblad. Wie is het, hoe heet deze persoon, waar komt hij/zij vandaan etc.?
Laat Alfa C-leerlingen een korte presentatie geven over een andere leerling.
Variatie
Laat de leerlingen ieder aan een andere leerling iets vertellen over een leerling met wie ze hebben
kennis gemaakt, aan de hand van de tekst of tekening. Vraag ook hoe het gegaan is en wat ze ervan
vonden. Leuk? Moeilijk?
Laat de leerlingen de kaart invullen. Wat ging goed? Wat kan beter? Wat wil je nog leren of oefenen?
De leerlingen schrijven in alle vakjes ten minste één woord.
Tot slot. Ik denk en ik praat.

Slide 29 - Slide

Denk na over de lessen.
Bespreek met de leerlingen wat ze allemaal gedaan hebben in dit thema. Bespreek wat ze er nog van weten.
Vraag wat de leerlingen nog meer zouden willen weten over dit onderwerp en wat ze willen leren. Inventariseer
welke woorden ze geleerd hebben in dit thema. Laat ze deze woorden in hun woordenschrift schrijven. Doe nog
een activiteit met deze woorden (rendictee, taboe, sorteeroefening, etc.).
Zet kruisjes in het schema.
Laat de leerlingen kruisjes zetten in het schema. Laat leerlingen in groepjes vergelijken wat ze hebben.
Of maak klassikaal een inventarisatie.
Differentiatie
Leerlingen vullen in tweetallen het schema in.