Brandende staalwol: veel oppervlak, snelle reactie met O₂ (foto: AgrisR, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Examentraining
Reactiesnelheid: zo pak je examenvragen aan
Brandende staalwol: veel oppervlak, snelle reactie met O₂ (foto: AgrisR, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Examentraining
Reactiesnelheid: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: AgrisR / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan een snelheidsverandering verklaren met botsende deeltjes en s berekenen uit een tabel of grafiek.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke factor is veranderd en wat wordt gevraagd?
2. Deeltjes: wat doet die factor met de botsingen of de energie?
3. Reken: bij een berekening s = Δc / Δt, met eenheid mol L⁻¹ s⁻¹.
4. Sluit af: noem de conclusie over de reactiesnelheid.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Vraagtype 1: verklaren met botsende deeltjes
Schrijf in drie stappen: de factor, wat die met de deeltjes doet, wat dat met de botsingen doet.
Gebruik de woorden botsingen per seconde en effectieve botsingen.
Concentratie, druk en verdelingsgraad veranderen hoe vaak deeltjes botsen.
Temperatuur en katalysator veranderen ook of een botsing effectief is.
This item has no instructions
Zinkpoeder reageert sneller met zoutzuur dan een zinkkorrel. Waarom?
De zinkdeeltjes hebben meer energie
Meer botsingen per seconde met het oppervlak
De activeringsenergie van zink is lager
Het zoutzuur is geconcentreerder
Poeder heeft een grotere verdelingsgraad, dus meer contactoppervlak en meer botsingen per seconde. Verwachte fout: kiezen voor energie of activeringsenergie, die niet veranderen. Syllabus R3.1.
Waarom reageert Mg sneller in 2,0 M dan 0,5 M zuur?
Bij 2,0 M zijn er meer H⁺-deeltjes per liter, dus meer botsingen met Mg per seconde, dus meer effectieve botsingen per seconde en een grotere reactiesnelheid. Verwachte fout: alleen zeggen dat het zuur sterker is. Syllabus R3.1.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Vraagtype 2: de factor herkennen in een proef
Bij een proef verandert één ding: kijk wat er in de gegevens anders is.
Vergelijk twee proeven en kies de factor: concentratie, druk, temperatuur, verdelingsgraad of katalysator.
Wat gelijk is, speelt geen rol bij het verschil.
Controleer ook de richting: een grotere of een kleinere reactiesnelheid?
This item has no instructions
Welke proef geeft de grootste reactiesnelheid (zelfde stoffen)?
40 °C, 1,0 M, brokken
20 °C, 1,0 M, poeder
40 °C, 0,5 M, poeder
40 °C, 1,0 M, poeder
Hoge temperatuur, hoge concentratie en een grote verdelingsgraad versnellen alle drie; alleen 40 °C, 1,0 M en poeder heeft ze alle drie. Verwachte fout: één factor bekijken. Syllabus R3.1.
Je voegt water toe aan een reagerende oplossing en s daalt. Waardoor?
De verdelingsgraad van de beginstoffen daalt
De activeringsenergie wordt hoger
De druk van de oplossing daalt
De concentratie van de beginstoffen daalt
Verdunnen verlaagt de concentratie, dus minder botsingen per seconde. De activeringsenergie verandert niet door water toe te voegen. Syllabus R3.1.
Tabel en grafiek van c(MnO₄⁻) tegen de tijd (eigen figuur)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Vraagtype 3: s berekenen uit tabel of grafiek
De concentratie MnO₄⁻ in een reagerend mengsel is gemeten (tabel en grafiek).
Lees twee tijdstippen af en bereken s = Δc / Δt.
Let op de eenheid op de y-as: 10⁻³ mol L⁻¹.
Rond af op het aantal significante cijfers van de gegevens.
Image credit: Eigen figuur voor deze les
Wat is s tussen 0 en 20 s, in mol L⁻¹ s⁻¹?
2,0·10⁻⁴
1,0·10⁻⁴
1,0·10⁻¹
1,0·10⁴
Δc = (4,0 − 2,0)·10⁻³ = 2,0·10⁻³ mol L⁻¹; Δt = 20 s; s = 2,0·10⁻³ / 20 = 1,0·10⁻⁴ mol L⁻¹ s⁻¹. Verwachte fouten: alleen c(0) delen door 20 (2,0·10⁻⁴), de factor 10⁻³ vergeten (1,0·10⁻¹) en Δt / Δc (1,0·10⁴). Syllabus R&A1.2.
Bereken s tussen 10 en 30 s in mol L⁻¹ s⁻¹.
Δc = (2,8 − 1,4)·10⁻³ = 1,4·10⁻³ mol L⁻¹; Δt = 20 s; s = 1,4·10⁻³ / 20 = 7,0·10⁻⁵ mol L⁻¹ s⁻¹. Verwachte fouten: Δt = 30 nemen en de factor 10⁻³ vergeten. Syllabus R&A1.2.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Vraagtype 4: de katalysator
Een katalysator verlaagt de activeringsenergie; beginstoffen en producten blijven gelijk.
Verklaar met botsingen: een groter deel van de botsingen is effectief, dus s neemt toe.
Een katalysator verandert niet hoeveel product er uiteindelijk ontstaat, alleen hoe snel.
This item has no instructions
MnO₂ versnelt de ontleding van H₂O₂ en is na afloop onveranderd. Wat is MnO₂?
Een beginstof
Een product
Een katalysator
Een oplosmiddel
Een stof die de reactie versnelt en niet wordt verbruikt, is een katalysator. Syllabus R3.2.
Verklaar waarom een katalysator s verhoogt.
Door de lagere activeringsenergie hebben meer botsingen genoeg energie, dus is een groter deel van de botsingen effectief en zijn er meer effectieve botsingen per seconde. Verwachte fout: zeggen dat de deeltjes meer energie krijgen of vaker botsen. Syllabus R3.2.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Verklaren met botsende deeltjes
De factor herkennen in een proef
s berekenen uit tabel of grafiek
Katalysator en activeringsenergie
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen nog eens klassikaal.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · SNELHEID
Tips voor op het examen
Noem bij een verklaring altijd botsingen per seconde of het deel effectieve botsingen.
Bij temperatuur: noem ook de activeringsenergie en het groter deel effectieve botsingen.
Reken bij s altijd met Δc / Δt en zet de eenheid mol L⁻¹ s⁻¹ achter je antwoord.
Let op machten van tien op de assen en rond af op de significante cijfers van de gegevens.
This item has no instructions