Rufiënty - avoir & bezittelijk voornaamwoord

Chapitre 3
Grammaire C: le verbe avoir
Chapitre 3: grammaire C: le verbe avoir
  • Uitleg: TB blz. 44

  • Uitleg:
  • Ga naar GL > Chapitre 3 > rechts "bij dit hoofdstuk" > uitleg en bronnen > C Grammaire ( = uitlegfilmpje)
  • LessonUP: filmpje 

  • Oefenen:
  • Je kunt op Grandes Lignes ex. 13 & 14 maken + nakijken (SOM > GL > C Grammaire > ex. 13/14 aanklikken
  • Kijk in deze LessonUp welke opdr je kunt doen om ermee te oefenen


1 / 36
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Chapitre 3
Grammaire C: le verbe avoir
Chapitre 3: grammaire C: le verbe avoir
  • Uitleg: TB blz. 44

  • Uitleg:
  • Ga naar GL > Chapitre 3 > rechts "bij dit hoofdstuk" > uitleg en bronnen > C Grammaire ( = uitlegfilmpje)
  • LessonUP: filmpje 

  • Oefenen:
  • Je kunt op Grandes Lignes ex. 13 & 14 maken + nakijken (SOM > GL > C Grammaire > ex. 13/14 aanklikken
  • Kijk in deze LessonUp welke opdr je kunt doen om ermee te oefenen


Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

avoir
=
 hebben
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je/j'
as
avez
a
ai
ont
avons

Slide 3 - Drag question

Leer eerst être & avoir
Beantwoord daarna de volgende 4 vragen (groene slides)

Slide 4 - Slide

être of avoir?

Ils sont
A
être
B
avoir

Slide 5 - Quiz

être of avoir?

Tu es
A
être
B
avoir

Slide 6 - Quiz

être of avoir?

On a
A
être
B
avoir

Slide 7 - Quiz

être of avoir?

Je suis
A
être
B
avoir

Slide 8 - Quiz

Extra oefenen met être/avoir


Être/avoir: https://www.lepointdufle.net/ressources_fle/present_avoir_etre.htm
--> eerst invullen, dan luisteren (groen knopje rechts), dan eventueel verbeteren

Slide 9 - Slide

Chapitre 3
Grammaire C: le verbe avoir
Chapitre 3: grammaire H: le pronom possessif
  • Uitleg: TB blz. 50

  • Uitleg:
  • Ga naar GL > Chapitre 3 > rechts "bij dit hoofdstuk" > uitleg en bronnen > H Grammaire ( = uitlegfilmpje)
  • LessonUP: filmpje 

  • Oefenen:
  • Je kunt op Grandes Lignes ex. 29 & 30 maken + nakijken (SOM > GL > C Grammaire > ex. 29/30 aanklikken
  • Kijk in deze LessonUp welke opdr je kunt doen om ermee te oefenen


Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is
A
Goed
B
Fout

Slide 12 - Quiz

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?

C'est ma famille
A
C'
B
est
C
ma
D
famille

Slide 13 - Quiz

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Je vois ton père.
A
Je
B
vois
C
ton
D
père

Slide 14 - Quiz

Bezittelijk voornaamwoord
in het Nederlands:








Bezittelijk voornaamwoord
in het Frans



zijn
haar
mijn
jouw
onze
mnl
ev
vrl
ev
mnl
mv
vrl
mv

Slide 15 - Slide

Mannelijk enkelvoud: 
  • le livre
  • mijn boek = mon livre

  • Maar ook:
  • l'hôtel (m) , l'agenda (m)
  • mijn hotel = mon hôtel
  • mijn agenda = mon agenda

Slide 16 - Slide

Vrouwelijk enkelvoud: 
  • la classe
  • mijn klas = ma classe

  • Maar ook:
  • Let op: bij een klinker/stomme h --> mon
  • l'équerre (geodriehoek = vrl)
  • mijn geo = mon équerre

Slide 17 - Slide

Mannelijk enkelvoud: 
  • le livre           
  • mijn boek = mon livre

  • Maar ook:
  • l'hôtel, l'agenda      
  • mijn hotel = mon hôtel
  • mijn agenda = mon agenda

Vrouwelijk enkelvoud
  • la classe
  • mijn klas = ma classe

  • Let op: bij een klinker/stomme h --> mon
  • l'équerre (geodriehoek = vrl)
  • mijn geo = mon équerre

Slide 18 - Slide

(mijn) frère a 12 ans.
A
mon
B
ma
C
mes

Slide 19 - Quiz

(jouw) maison (v) est grande.
A
ton
B
ta
C
tes

Slide 20 - Quiz

Meervoud
Meervoud = mes
  • le livre --> les livres --> mes livres
  • l'hôtel (m) --> les hôtels --> mes hôtels
  • l'agenda (m) --> les agendas --> mes agendas
  • la classe --> les classes --> mes classes
  • l'équerre (v) --> les équerres --> mes équerres

Slide 21 - Slide

Zijn/Haar
sa maison (v)
son chien (m)
ses
livres 
(m mv)
ses glaces 
(v mv)
enkelvoud
meervoud

Slide 22 - Slide

Luc
Son père, Jef
Sa femme, Anne
Ses enfants, Marie & Éric
Sa mère, Annie

Slide 23 - Slide

Anne
Son père, Jef
Son mari, Luc
Ses enfants, Marie & Éric
Sa mère, Annie

Slide 24 - Slide

C'est mon frère, il s'appelle Rob.
Ce sont mes parents.
C'est ma fille Sophine
            avec son amie Lina.
            avec sa copine Lina.

Slide 25 - Slide

haar zus
haar broer
haar broers
son frère
sa frère
ses frère
son soeur
sa soeur
ses soeur
son frères
sa frères
ses frères

Slide 26 - Drag question

timer
2:00
(Haar) ............. maison (v) est située à Delft.
(Mijn) ................... soeur s'appelle Sara.
Elle a oublié (haar) ............... cahier.
(Mijn) ..................... nouvels stylos sont là.
Hier, j'ai vu (mijn) ..................... amie (v).
Sa
Ma
son
Mes
mon

Slide 27 - Drag question

1. J'ai un frère. C'est (mijn) ____________ frère.
2. Elle aime le chien. C'est (haar) ______________ chien. 
3. Tu as trois stylos (m). Ce sont (jouw) ____________ stylos. 
4. Marie achète une robe. C'est (haar) _______________ robe.
5. J'ai des livres. Ce sont (mijn) ____________ livres.  
6. C'est ta glace ? Oui, c'est (mijn) _______________ glace.
7. C'est ton cahier ? Oui, c'est (mijn) ______________ cahier. 
Sleep het juiste bez. vnw. naar het juiste rode vak.
timer
5:00
mon
son
tes
sa
mes
ma
mon

Slide 28 - Drag question

Enkelvoud
  • het boek = le livre
  • ons boek = notre livre

  • la classe
  • onze klas = notre classe
Meervoud
  • de boeken = les livres
  • onze boeken = nos livres

  • les classes
  • onze klassen = nos classes

Slide 29 - Slide

Schema
mes/ tes/ ses / nos / vos / leurs
mannelijk      of        vrouwelijk                   klinker/stomme h?
mon / ton / son / notre / votre / leur
ma / ta /sa / notre/ votre / leur
Enkelvoud      of        meervoud ?

Slide 30 - Slide

Het bezittelijk vnw. in het Frans
mon pantalon 
ma robe 
mes robes
tes robes 

Slide 31 - Slide

Meervoud = mes, tes, ses

  • Exemple: mijn boeken = ?

  • (1) Wat is het znw in het enkelvoud?
  • het boek = le livre

  • (2) Maak er meervoud van
  • de boeken = les livres

  • (3) Zet het bez.vnw. voor het znw
  • mijn/jouw/zijn/haar boeken = mes/tes/ses livres



  • mijn boeken =
  • mes livres

  • jouw boeken =
  • tes livres

  • zijn/haar boeken = 
  • ses livres 

Slide 32 - Slide

Oefening meervoud
  • le livre --> mijn boeken

  • l'hôtel (m) --> zijn hotel

  • l'agenda (m) --> haar agenda

  • la classe --> mijn klassen
  • l'équerre (v) --> jouw geo
Bezittelijk vnw + znw
  • mnl mv --> mon/ma/mes --> mes livres
  • mnl ev --> son/sa/ses --> son hôtel
  • mnl ev --> son/sa/ses --> son agenda
  • vrl mv --> mon/ma/mes --> mes classes
  • vrl ev --> ton/ta/tes --> ton équerre (ivm klinker)

Slide 33 - Slide

Welk bez.vnw. kiezen?Exemple: jullie huizen
  1. Wat is het znw?
  2. znw = huizen
  3. Is het znw enkelvoud of meervoud?
  4. huizen = meervoud
  5.  jullie meervoud = vos
  6. jullie huizen = vos maisons

Slide 34 - Slide

Enkelvoud
  • het boek = le livre
  • ons boek = 
  • notre livre

  • de klas = la classe
  • jullie klas = 
  • votre classe
Meervoud
  • de boeken = les livres
  • onze boeken = 
  • nos livres

  • de klassen = les classes
  • uw/jullie klassen = 
  • vos classes

Slide 35 - Slide