Woordenschat hoofdstuk 2

Woordenschat hoofdstuk 2
Klas 2
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Woordenschat hoofdstuk 2
Klas 2

Slide 1 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?
- Toets inplannen 
Terugblik hoofdstuk 1
- Uitleg hoofdstuk 2
- Mini quiz
- Zelfstandig werken

Slide 2 - Slide

Woordenschat hoofdstuk 1, 2 & 3
Leren woordenlijst + theorie bladzijde 24, 50 en 76

Woensdag 28 september

Slide 3 - Slide

Welke zes manieren heb je geleerd om achter de betekenis van een moeilijk woord te komen?

Slide 4 - Open question

Hoofdstuk 2
Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Wat is het verschil in betekenis tussen de onderstreepte woorden in de zinnen a en b?
1a Onze tuinman is een beer van een kerel.
1b Charly vond de bruine beer in het wildpark het mooist.

3a Omdat de gasten niet kwamen opdagen, zat de kok met de gebakken peren die hij had bereid als dessert.
3b Na de overstroming zaten de boeren met de gebakken peren.

Slide 7 - Slide

Wat is figuurlijk taalgebruik?
A
Dan schrijf je letters achter elkaar
B
Dan bedoel je precies wat je zegt
C
Dan teken je wat je bedoelt
D
Dan bedoel je iets anders dan wat je zegt

Slide 8 - Quiz

Een uitdrukking is een vorm van figuurlijk taalgebruik.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quiz

In onze tuin staat de hoogste boom van de buurt.
A
Figuurlijk taalgebruik
B
Letterlijk taalgebruik

Slide 10 - Quiz

Ze kookt van woede.
A
Figuurlijk taalgebruik
B
Letterlijk taalgebruik

Slide 11 - Quiz

Het schilderij springt van het doek.
A
Letterlijk taalgebruik
B
Figuurlijk taalgebruik

Slide 12 - Quiz

De toekomst lacht ons tegemoet.
A
Letterlijk taalgebruik
B
Figuurlijk taalgebruik

Slide 13 - Quiz

Welke zin is figuurlijk taalgebruik?


A
Er kwam geen kip in de winkel.
B
De winkel verkocht geen kip meer.

Slide 14 - Quiz

Welke zin is figuurlijk taalgebruik?


A
Dat is een goed middel voor je zieke paard.
B
Dat is een paardenmiddel voor die kwaal.

Slide 15 - Quiz

Welke zin is figuurlijk taalgebruik?


A
Zij is op het paard getild.
B
Zij is over het paard getild.

Slide 16 - Quiz

Aan de slag!
Woordenschat hoofdstuk 2
Wat: opdracht 1, 2 en 4
Hoe: individueel

Klaar? Maak alvast je opdrachten voor morgen
=  5 en 7










timer
10:00

Slide 17 - Slide