Een tegen honderd

1 tegen 100
TH1 | Toetsvoorbereiding | 2025-2026
4.1 Prikkels en gedrag
4.2 Leren
4.4 Samen leven
1 / 32
next
Slide 1: Slide
BiologieBiologie / Verzorging+1Middelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 1

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

1 tegen 100
TH1 | Toetsvoorbereiding | 2025-2026
4.1 Prikkels en gedrag
4.2 Leren
4.4 Samen leven

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Spelregels
  • 1 speler ("de uitdager") staat voor en speelt tegen de rest van de klas.
  • De uitdager wint een prijs als hij alle klasgenoten wegspeelt. 
  • Als klasgenoot speel je staand, en ga je zitten zodra je een fout antwoord geeft. Je blijft wel vragen beantwoorden.
  • Vragen worden in stilte beantwoord.
  • Per vraag: éérst beantwoordt de klas, daarna beantwoordt de uitdager.
  • Beantwoordt de uitdager een vraag fout? Dan mag iemand anders de uitdager zijn. 
  • Behaal je als klasgenoot tenminste 10 goede vragen? Beloning! 

Slide 3 - Slide

Hoe noem je een reactie van een dier op een prikkel?
A
Motivatie
B
Gedrag
C
Imitatie
D
Leren

Slide 4 - Quiz

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht. Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.
Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?
A
Honger
B
Het bewegen van het nest
C
Het ruiken van een worm
D
Het zien van hun ouder

Slide 5 - Quiz

Mirjam zegt dat een goede etholoog goed kijkt of een dier zich wel fijn voelt.
Thomas zegt dat een goede etholoog alleen waarneembaar gedrag benoemt.
Wie heeft gelijk?

A
Alleen Mirjam heeft gelijk
B
Alleen Thomas heeft gelijk
C
Mirjam en Thomas hebben gelijk
D
Mirjam en Thomas hebben ongelijk

Slide 6 - Quiz

Uit onderzoek blijkt dat grote katachtigen in gevangenschap door bepaalde geuren bepaald gedrag kunnen gaan vertonen.

Onderzoekers doen een experiment om te zien of dit ook geldt voor zwartvoetkatten. Er wordt een lijst gemaakt met verschillende gedragingen van zwartvoetkatten.

Hoe heet zo'n lijst?
A
Ethogram
B
Opsomming
C
Protocol
D
Diagram

Slide 7 - Quiz

Een leerling doet onderzoek naar een goudvis. Hij gebruikt een protocol met stipnotatie en zet elke 30 seconden een stipje.
Na 5 minuten heeft hij de volgende resultaten:
'Zwemmen': 7 stipjes,
'Happen naar voer': 3 stipjes

Wat kun je op basis van dit protocol zeggen over het gedrag van de goudvis?
A
De goudvis heeft precies 3 keer gehapt naar voer.
B
De goudvis was vaker aan het zwemmen dan aan het happen naar voer op de momenten dat er gekeken werd.
C
De goudvis heeft in totaal 10 minuten gezwommen.
D
De goudvis heeft de rest van de tijd stilgelegen op de bodem.

Slide 8 - Quiz

Maxime en Zolikha kiezen één bepaalde hamster uit en noteren vijf minuten lang, elke vijf seconden, welk gedrag dit dier vertoont. Hun resultaten staan in tabel 2.

Hoe wordt tabel 2 genoemd?
A
Diagram
B
Ethogram
C
Opssomming
D
Protocol

Slide 9 - Quiz

Welke van de volgende omschrijvingen is het beste voorbeeld van een losse 'handeling' bij een etende hond?
A
Het jachtgedrag van de hond.
B
Het verteren van het voedsel in de maag.
C
De hond heeft honger.
D
Het doorslikken van een brokje.

Slide 10 - Quiz

Na een aardbeving worden vaak honden ingezet om naar overlevenden te zoeken. Deze honden hebben geleerd om de geur van levende mensen te herkennen. Als ze een levend persoon onder het puin gevonden hebben, blaffen ze om de reddingswerkers te waarschuwen. Ze hebben dit geleerd tijdens een training, waarbij ze iedere keer als ze een zoekopdracht goed hadden uitgevoerd, werden beloond.
Hoe heet deze vorm van leren?
A
Inprenting
B
Imitatie
C
Gewenning
D
Conditionering

Slide 11 - Quiz

Een baby die net geboren is, begint direct te zuigen als hij een tepel of een speen in de mond krijgt. De baby heeft dit niet geoefend.

Hoe noemen biologen dit type gedrag?
A
Aangeboren gedrag, want de baby doet de moeder na.
B
Gewenning, want de baby raakt gewend aan het voeden.
C
Aangeboren gedrag, want het zit vanaf de geboorte in het DNA (erfelijk bepaald).
D
Intelligent gedrag, want de baby snapt dat hij moet eten om te overleven.

Slide 12 - Quiz

Waarom verloopt een reflex veel sneller dan een bewuste reactie?
A
Omdat de impulsen bij een reflex een kortere weg afleggen (meestal via het ruggenmerg) en niet eerst naar de grote hersenen hoeven.
B
Omdat je spieren sterker worden op het moment dat er gevaar dreigt.
C
Omdat je hersenen bij een reflex juist extra hard moeten werken.
D
Omdat de zenuwen die reflexen aansturen dikker zijn en impulsen sneller geleiden.

Slide 13 - Quiz

Je stapt met je blote voet op een legoblokje en trekt je voet direct terug.

Waarom voel je de pijn pas nádat je je voet al hebt bewogen?
A
Omdat de spier in je voet de zenuwen tijdelijk blokkeert tijdens het terugtrekken.
B
Omdat je hersenen de pijn eerst moeten 'goedkeuren' voordat je het mag voelen.
C
Omdat gevoelszenuwcellen trager werken dan bewegingszenuwcellen.
D
Omdat de impuls voor de beweging via het ruggenmerg gaat, en de impuls voor de pijn daarna pas naar de hersenen wordt gestuurd.

Slide 14 - Quiz

In een grote kudde zebra's op de savanne zie je vaak dat een paar dieren omhoog kijken terwijl de rest rustig graast. Wat is het belangrijkste voordeel van deze manier van samenwerken?
A
De zebra's die kijken, kunnen de lekkerste stukjes gras aanwijzen voor de groep.
B
Er is een grotere kans dat een roofdier op tijd wordt gezien, waardoor de hele kudde kan vluchten.
C
Op deze manier kunnen de zebra's oefenen om heel stil te staan.
D
De zebra's die kijken, zorgen ervoor dat de kudde niet verdwaalt tijdens het lopen.

Slide 15 - Quiz

Welk voordeel heeft een dier dat onderaan de rangorde staat (een laag geplaatst dier) van het leven in zo'n groep?
A
Het dier mag altijd als eerste kiezen waar het gaat slapen.
B
Ondanks de lagere rang heeft het dier meer kans op bescherming en voedsel dan wanneer het alleen leeft.
C
Het dier krijgt automatisch de leiding over de jongen in de groep.
D
Het dier hoeft nooit op te letten of er roofdieren in de buurt zijn.

Slide 16 - Quiz

De pikorde bij kippen wordt vastgesteld door te pikken naar andere kippen.
Hoe meer een kip door verschillende andere kippen wordt gepikt, des te lager is haar rangorde.
Welk van de kippen uit de tabel heeft de meeste kans om te paren met de haan?
A
Aaltje
B
Bea
C
Cootje
D
Froukje

Slide 17 - Quiz

In juni nemen mannetjesparadijsvogels bij het zien van vrouwtjes bepaalde houdingen aan (zie de afbeelding).

Hoe wordt het gedrag in de afbeelding genoemd?
A
Inprenting
B
Baltsgedrag
C
Broedzorg
D
Territoriumgedrag

Slide 18 - Quiz

Waardoor wordt gedrag van dieren doorgaans NIET veroorzaakt?
A
Honger
B
Hormonen
C
Voedsel
D
Gedrag

Slide 19 - Quiz

Baris doet een experiment met een muis in een doolhof. De muis heeft een dag niet gegeten en wordt voor de ingang van de doolhof gezet. Middenin ligt een voedselbrokje. De muis loopt de doolhof in en doet er tien minuten over om het voedselbrokje te vinden. Baris voorspelt, dat de muis de juiste weg naar het voedsel zal leren, als hij vaker door de doolhof loopt. Gedurende enkele uren zet hij de muis om het kwartier bij de ingang. Hij noteert steeds de tijd die de muis nodig heeft om een voedselbrokje te vinden. De resultaten zet hij uit in een diagram.

Na enkele uren loopt de muis niet meer de doolhof in, als hij bij de ingang wordt gezet.
Noem de inwendige prikkel die dan ontbreekt om de doolhof in te gaan.
A
Voedselbrokje
B
Energie
C
Honger
D
Richtinggevoel

Slide 20 - Quiz

Welke gedragsobservatie klopt WEL volgens de ethologie (gedragsleer)?
A
De kat is blij.
B
De hond kwispelt met zijn staart.
C
Je tikt irritant met je pen op de tafel.
D
De vogel is ziek want hij zit ineengedoken.

Slide 21 - Quiz

Wat maakt dit staafdiagram onvolledig?
A
Titel
B
Benoemen van assen
C
Juiste schaalverdeling
D
Het ontbreken van een handeling

Slide 22 - Quiz

In de biologie is het belangrijk dat een onderzoek betrouwbaar is. Waarom is het gebruik van een protocol daarbij onmisbaar?
A
Zodat de onderzoeker ook zijn eigen mening en gevoelens over het dier kan opschrijven.
B
Zodat het dier gewend raakt aan de onderzoeker die met een lijstje klaarstaat.
C
Om ervoor te zorgen dat het dier sneller de handelingen uitvoert die de onderzoeker wil zien.
D
Zodat de verzamelde gegevens (data) precies en feitelijk zijn, waardoor andere onderzoekers het resultaat kunnen controleren.

Slide 23 - Quiz

Je hebt geteld hoeveel verschillende vogels er in de schooltuin zitten. Je maakt een staafdiagram.
Hoe noemen we de verticale as (de as die van beneden naar boven loopt) ook wel?
A
De X-as
B
De Y-as
C
De legenda
D
De titel-as

Slide 24 - Quiz

Koekoeken leggen eieren in nesten van andere vogelsoorten. Zodra er eitjes van de andere vogels in zo'n nest liggen, legt de koekoek er één bij. Als de jonge koekoek uit het ei gekomen is, duwt hij de andere eieren en jongen het nest uit. Wanneer een pleegouder komt aanvliegen met insecten, opent het koekoeksjong zijn snavel. Bij het zien van de fel rode binnenkant van de bek voert de pleegouder het koekoeksjong met de insecten.
Wat is de sleutelprikkel om het koekoeksjong te voeren?
A
De rode binnenkant van de bek
B
Het zien van de jongen
C
De honger van het jong
D
De aanwezigheid van een insect

Slide 25 - Quiz

Na het uitkomen van de eieren leren de jonge eendjes dat de kip hun ‘moeder’ is.

Hoe wordt deze vorm van leren genoemd?
A
Conditionering
B
Gewenning
C
Inprenting
D
Inzicht

Slide 26 - Quiz

De koekoek is een vogel die in Nederland voorkomt. Een ‘vreemde vogel’ kun je wel zeggen. Zo heeft de koekoek een voorkeur voor harige rupsen die door bijna geen andere vogelsoort worden gegeten. Ook maakt de koekoek nooit zelf een nest, maar legt het vrouwtje de eieren in de nesten van een andere vogelsoort. Er wordt één ei per nest gelegd. Het uitbroeden en voeren van de jonge koekoek wordt aan de ‘pleegouders’ overgelaten. Als de jonge koekoek gevoerd wordt, komen de echte ouders af en toe kijken. Als het jong het nest verlaat, geven ze het vliegles, en daar houdt hun zorg mee op.

Is het leggen van een ei in het nest van een andere vogelsoort erfelijk gedrag of is het aangeleerd gedrag?
A
Erfelijk
B
Aangeleerd: inprenting
C
Aangeleerd: imitatie
D
Aangeleerd: conditionering

Slide 27 - Quiz

Wat is de belangrijkste reden dat het menselijk lichaam reflexen heeft?
A
Om bewegingen zoals lopen en fietsen soepeler te laten verlopen.
B
Om ervoor te zorgen dat we meer spierkracht kunnen gebruiken.
C
Om het lichaam zo snel mogelijk te beschermen tegen beschadigingen.
D
Om energie te besparen door de hersenen minder te gebruiken.

Slide 28 - Quiz

Bij honingbijen zien we een heel bijzondere vorm van samenwerking. Er is één koningin, er zijn darren en er zijn duizenden werksters. Hoe noemen we deze manier van samenleven waarbij ieder individu een eigen 'baan' heeft?
A
Dominantie, want de koningin is de baas over iedereen.
B
Rangorde, waarbij de sterkste bijen het meeste eten krijgen.
C
Taakverdeling, waarbij verschillende groepen zorgen voor verschillende klussen (zoals poetsen, voeden of verdedigen).
D
Territoriumgedrag, waarbij elke bij zijn eigen plekje in de korf verdedigt tegen anderen.

Slide 29 - Quiz

Wat is in de biologie de belangrijkste reden voor het ontstaan van een rangorde binnen een groep dieren?
A
Zodat alle dieren in de groep precies evenveel macht hebben.
B
Om te voorkomen dat de groep te groot wordt.
C
Om het aantal ruzies en zware gevechten binnen de groep te beperken.
D
Om ervoor te zorgen dat de zwakste dieren als eerste mogen eten.

Slide 30 - Quiz

In een dierentuin leven vijf witte neushoorns samen in een groep, één mannetje en vier vrouwtjes. Een onderzoeker noteert regelmatig hoe vaak de dieren dreiggedrag vertonen tegen elkaar, zoals brullen, duwen en stoten met de hoorn. Uit de resultaten trekt hij conclusies over een rangorde binnen de groep. In een schema geeft hij die rangorde weer (zie de afbeelding).

Geef de naam van de neushoorn die het laagst in de rangorde staat.
A
Arnold
B
Rita
C
Dora
D
Klara

Slide 31 - Quiz

Wat is de beste biologische omschrijving van baltsgedrag?
A
Het gedrag van jonge dieren die spelen om hun spieren te trainen.
B
Gedrag waarbij dieren vechten om een territorium te verdedigen tegen indringers.
C
Het gedrag waarbij een ouderdier voedsel zoekt voor de pasgeboren jongen.
D
Een speciale reeks handelingen die voorafgaat aan de paring.

Slide 32 - Quiz