Projet 4 - Les 1 - Les sports traditionnels - 2627

1 / 43
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Projet
Jullie gaan 4 lessen aan de slag met een project over sport.

Tijdens de aankomende lessen maak je opdrachten die meetellen voor je eindcijfer. Ook maak je uiteindelijk een eindproduct. 

Slide 2 - Slide

Eisen
Wat wordt er van je verwacht?
- Actieve deelname aan alle lessen.
- Alle opdrachten serieus maken.
- Altijd een opgeladen laptop bij je hebben.
- Ben je afwezig tijdens een les? Zoek dan z.s.m. mevrouw De la Croix op tijdens een Invest-uur of maak een afspraak per mail.


Slide 3 - Slide

Beoordeling
Tijdens het project kun je punten verdienen voor:
  • een actieve deelname aan iedere les.
  • alle opdrachten zo serieus en goed mogelijk maken.
  • het eindproduct.


Slide 4 - Slide

Welke Franse woorden die te maken hebben met sport ken je?

Slide 5 - Mind map

Welke sporten worden veel beoefend in Frankrijk?

Slide 6 - Open question

Le sport en France
Populaire sporten in Frankrijk zijn: 
  • le football
  • le rugby
  • le cyclisme
  • le tennis
  • la pétanque

Slide 7 - Slide

Wat weet je over voetbal in Frankrijk? Denk aan spelers / voetbalteams.

Slide 8 - Open question

Wat weet je over Le Tour de France?

Slide 9 - Open question

Le football
Frankrijk won het WK voetbal in 1998 (in eigen land!) en opnieuw in 2018. 

Spelers als Zinédine Zidane, Kylian Mbappé en Thierry Henry zijn echte helden.

Veel kinderen in Frankrijk dromen ervan om profvoetballer te worden.

Slide 10 - Slide

Le Tour de France
  • De Tour de France is de      beroemdste wielerwedstrijd              ter wereld.
  • Elk jaar in juli fietsen de   wielrenners duizenden kilometers door Frankrijk.
  • Het is een nationale trots: veel   mensen kijken op tv of gaan langs   de route staan.

Slide 11 - Slide

Wat weet je over Roland-Garros?

Slide 12 - Open question

Roland-Garros
  • Een van de grootste tennistoernooien ter wereld. 

  • Vindt plaats in Parijs.

  • Je kunt bekende tennissers zien zoals Carlos Alcaraz, Jannik Sinner, Aryna Sabalenka en Coco Gauff.

Slide 13 - Slide

Grammaire
Révision
Korte herhaling over de werkwoorden avoir & être én de voorzetsels bij landen/ steden.

Let op! 
Deze informatie heb je nodig bij komende opdrachten! 

Slide 14 - Slide

Wat betekent het werkwoord 'avoir' in het Nederlands?

Slide 15 - Open question

Avoir in de présent

Slide 16 - Slide

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (présent)
Vous ________ une raquette de tennis?

Slide 17 - Open question

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (présent)
Emma et Chloé ________ un vélo.

Slide 18 - Open question

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (présent)
J'____ des chaussures rouges.

Slide 19 - Open question

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (présent)
Nous _______ un abonnement.

Slide 20 - Open question

Avoir in de passé composé
In de passé composé heeft het werkwoord avoir als voltooid deelwoord een onregelmatige vorm: eu

Par exemple:
J'ai eu                                                  Ik heb gehad
Tu as eu                                              Jij hebt gehad
Il a eu                                                   Hij heeft gehad


Slide 21 - Slide

Avoir in de passé composé

Slide 22 - Slide

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (passé composé)
On ____ ____ un accident.

Slide 23 - Open question

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (passé composé)
Tu ____ ____ une blessure?

Slide 24 - Open question

Vul de juiste vorm van 'avoir' in! (passé composé)
Ils ____ ____ un tournoi.

Slide 25 - Open question

Être in de présent

Slide 26 - Slide

Vul de juiste vorm van 'être' in! (présent)
Tu ______ sportif?

Slide 27 - Open question

Vul de juiste vorm van 'être' in! (présent)
Je ______ en forme.

Slide 28 - Open question

Vul de juiste vorm van 'être' in! (présent)
Vous ______ forts.

Slide 29 - Open question

Être in de passé composé
In de passé composé heeft het werkwoord être als voltooid deelwoord een onregelmatige vorm: été

Par exemple
J'ai été                                                  Ik ben geweest
Tu as été                                              Jij bent geweest
Il a été                                                   Hij is geweest

Slide 30 - Slide

Être in de passé composé

Slide 31 - Slide

Vul de juiste vorm van 'être' in! (passé composé)
Mes amis ______ ______ en Espagne.

Slide 32 - Open question

Vul de juiste vorm van 'être' in! (passé composé)
Elle ______ ______ aux Pays-Bas.

Slide 33 - Open question

Les prépositions

In het Frans gebruik je verschillende voorzetsels voor "in" of "naar". Bij landen is het voorzetsel afhankelijk van het geslacht en het begin van de naam. Bij steden is het altijd à.

Slide 34 - Slide

Vrouwelijke landnamen
Landen die eindigen op een -e, zoals la France, la Belgique:

Voor vrouwelijke landen gebruik je het woord 'en' voor zowel "in" als "naar".

Par exemple:
Je suis en France.                      Ik ben in Frankrijk.
Je vais en Belgique.                  Ik ga naar België.

Slide 35 - Slide

Mannelijke landnamen
Landen die niet eindigen op -e, zoals le Canada, le Portugal:

Voor mannelijke landen gebruik je het woord 'au' voor zowel "in" als "naar".

Par exemple:
Je suis au Canada.                  Ik ben in Canada.
Je vais au Portugal.                Ik ga naar Portugal.

Slide 36 - Slide

Landen in het meervoud
Zoals les États-Unis (De Verenigde Staten), les Pays-Bas (Nederland):

Voor landen in het meervoud gebruik je het woord 'aux' voor zowel "in" als "naar".

Par exemple:
Je suis aux États-Unis.               Ik ben in de Verenigde Staten.
Je vais aux Pays-Bas.                  Ik ga naar Nederland.

Slide 37 - Slide

Landen beginnend met een klinker
Zoals Iran:
Voor deze landen gebruik je ook het woord 'en', zelfs als ze mannelijk zijn.

Par exemple:
Je vais en Iran.                  Ik ga naar Iran.

Slide 38 - Slide

Voor steden
Voor steden gebruik je het woord 'à'.

Par exemple:
Je vais à Paris.                          (Ik ga naar Parijs.)
On est à Amsterdam.            (We zijn in Amsterdam.)

Slide 39 - Slide


Au travail!

Maak de opdrachten op het werkblad serieus!

Slide 40 - Slide

Compréhension Orale

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Slide

Utiliser un dictionnaire
1️⃣ Zoek het hele woord op
Bij werkwoorden: zoek de infinitief (bijv. aller, jouer).
2️⃣ Kijk naar het woord
Is het een werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord?
3️⃣ Kies de betekenis die past bij de zin
Sommige woorden hebben meerdere betekenissen.
4️⃣ Controleer je vertaling
Klinkt je zin goed in het Nederlands?

Slide 43 - Slide