Kapitel 2 - Lektion 2

 Na Klar!
Kapitel 2 Lektion 2
Grammatik: 
Het geslacht van de zelfstandige naamwoorden.
Hören
Wiederholen 
1 / 25
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

 Na Klar!
Kapitel 2 Lektion 2
Grammatik: 
Het geslacht van de zelfstandige naamwoorden.
Hören
Wiederholen 

Slide 1 - Slide

Doel
Ik weet wat mannelijke, vrouwelijke een onzijdige woorden zijn.

Ik weet wanneer ik der, die of das moet gebruiken.
Grammatik D, Seite 66 

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Welke 2 uitzonderingen zag in de film bij de vrouwelijke woorden?
A
Zwei, Straße
B
Titanic, Musik
C
Name, Junge
D
Ente, Rose

Slide 4 - Quiz

Welk lidwoord hoort bij woorden die eindigen op o.a. -ung,
-heit, -keit en -schaft?
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 5 - Quiz

Welke Duitse lidwoorden waren er ook alweer?
meerdere antwoorden mogelijk!
A
der
B
die
C
das
D
mit

Slide 6 - Quiz

Welk lidwoord gebruik je bij mannelijke woorden?
A
das
B
der
C
die
D
von

Slide 7 - Quiz

Welk lidwoord gebruik je bij onzijdige woorden?
A
der
B
die
C
das
D
aus

Slide 8 - Quiz


Bij een van deze groepen gebruik je GEEN mannelijk lidwoord.
A
maanden
B
jaargetijden
C
mannelijke dieren
D
alle getallen

Slide 9 - Quiz

Bij een van deze groepen gebruik je GEEN vrouwelijk lidwoord.
A
namen van planten en bomen
B
alle getallen
C
bij letters en kleuren
D
vrouwelijke dieren

Slide 10 - Quiz

Bij een van deze groepen gebruik je GEEN onzijdig lidwoord.
A
bij weersomstandigheden
B
vaak 'het' in het Nederlands
C
letters en kleuren
D
bij zelfstandig gebruikte naamwoorden

Slide 11 - Quiz

Slide 12 - Slide

Die Hose sie ist.......
A
gelb
B
blau
C
grün
D
rot

Slide 13 - Quiz

Die Bluse sie ist ......
A
weiß
B
gelb
C
rot
D
blau

Slide 14 - Quiz

Der Gürtel er ist
A
schwarz
B
braun
C
grün
D
blau

Slide 15 - Quiz

Das T-Shirt es ist
A
blau
B
grün
C
gelb
D
rot

Slide 16 - Quiz

Persoonlijke voornaamwoorden
der ==> er
die    ==>  sie
das  ==>  es

Slide 17 - Slide

der Mann -->  er
der Junge   -->   er ist groß
der Hund -->   er ist klein
der Rock --> er ist blau
der Pullover -->  er ist hell blau

Slide 18 - Slide

die Frau --> sie
die Jeans -->  sie ist blau
die Hose --> sie ist schwarz
die Mütze --> sie ist grün

Slide 19 - Slide

das Mädchen --> es
das Kleid --> es ist weiß
das T-Shirt --> es ist rot
das Sweatshirt --> es ist gelb 

Slide 20 - Slide

Der Gürtel ......ist braun.
A
er
B
es
C
sie

Slide 21 - Quiz

Das T-Shirt .......ist rot.
A
er
B
es
C
sie

Slide 22 - Quiz

Die Hose .......ist grün
A
er
B
sie
C
es

Slide 23 - Quiz

Schrijf voorwerpen(Duits) op die je in jouw huis ziet met het juiste lidwoord.
(bijv. die Blumenvase.)

Slide 24 - Open question

Je gaat met paragraaf 2 aan de slag. Je zorgt er voor dat je dat deze week af hebt. Je kunt het in je agenda noteren. 

Slide 25 - Slide