3.3 Goede vragen stellen

As-salaamoe aleikoem 2MH,
Pak een leesboek uit de kast.
Stop je telefoon in de telefoonzak.
Ga stil op je (vaste) plek zitten.
Haal je lesmateriaal uit je tas en leg deze op je tafel.
Geen jassen in het lokaal en tas van tafel.
Luister aandachtig naar mevrouw Özkara.
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 26 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

As-salaamoe aleikoem 2MH,
Pak een leesboek uit de kast.
Stop je telefoon in de telefoonzak.
Ga stil op je (vaste) plek zitten.
Haal je lesmateriaal uit je tas en leg deze op je tafel.
Geen jassen in het lokaal en tas van tafel.
Luister aandachtig naar mevrouw Özkara.

Slide 1 - Slide

As-salaamoe aleikoem 2MH,
Pak een leesboek uit de kast.
Stop je telefoon in de telefoonzak.
Ga stil op je (vaste) plek zitten.
Haal je lesmateriaal uit je tas en leg deze op je tafel.
Geen jassen in het lokaal en tas van tafel.
Luister aandachtig naar mevrouw de Roock.

Slide 2 - Slide

Recitatie
Hadith van de week
Absentie
De Boodschapper van Allah (vzmh) zei: “Er is niemand die zich nederig opstelt omwille van Allah, behalve dat Allah zijn rang zal verhogen.” (Muslim)
''Ja, mevrouw.''

Slide 3 - Slide

Leesmoment
timer
10:00
Ik lees bladzijde 28 tot en met 30 zelfstandig met mijn mond dicht.

Slide 4 - Slide

Leesmoment



Pak je leesboek voor je. Laten we in rust lezen!

In tussentijd doe ik de absentie!
timer
15:00

Slide 5 - Slide

Huiswerk- en materiaalcheck
timer
3:00
Neem het huiswerk in stilte voor je. Les 1 en les 2
Lesboek, twee schriften, pen.

Slide 6 - Slide

Meetellen: bij iets horen, belangrijk zijn. Iedereen mag meetellen in de klas.
Mengen: door elkaar doen. Ik ga de verf goed mengen.
Het merendeel: het grootste deel. Het merendeel van de klas is op tijd.
Minuscuul: heel erg klein. Het foutje was zo minuscuul dat ik het niet zag.
Het motief: de reden waarom iemand iets doet. Het motief van de dader is nog niet duidelijk.

Woorden van week 

timer
4:00

Slide 7 - Slide

Kies uit: meetellen – mengen – merendeel – minuscuul – motief
Het ______ van de klas vond de toets moeilijk.
Je moet de verf goed ______ zodat de kleur mooi wordt.
Mijn kleine foutje was zo ______ dat niemand het zag.
Iedereen mag ______ bij de beslissing.
Het ______ van de dader was nog niet duidelijk.

Woorden van week 

timer
4:00

Slide 8 - Slide

A. de reden waarom iemand iets doet
B. heel erg klein
C. bij iets horen / belangrijk zijn
D. door elkaar doen
E. Het grootste deel

Woorden van week 

timer
4:00

Slide 9 - Slide

Terugblik
Verwijswoorden verwijzen naar andere woorden in een tekst.
Er zijn verschillende soorten:

Voornaamwoorden: hij, zij, dit, die, mijn, zijn.
Bijwoorden: daar, hiervan, toen, waar.
Synoniemen: woorden met dezelfde betekenis.

Het is belangrijk om duidelijk te maken waarnaar een verwijswoord verwijst om verwarring te voorkomen.

Slide 10 - Slide

Instructie
Bladzijde 130  van je lesboek.
 Voorzetsels
Bijwoorden 


Slide 11 - Slide

Lees de onderstaande zinnen en beantwoord de vragen:

a) De ballonvaarder vertelde over zijn avontuur. Hij vond het erg spannend.
Welke verwijswoorden komen voor in deze zin?

b) De leerlingen waren enthousiast. Ze hadden zin om te leren.
Waar verwijst "ze" naar?

c) De paarden schrokken van het voertuig dat te laag vloog.
Welke woorden zijn verwijswoorden in deze zin?
Korte oefening: herken de verwijswoorden

Slide 12 - Slide

1. Herken de verwijswoorden
a) De ballonvaarder vertelde over zijn avontuur. Hij vond het erg spannend.
Verwijswoorden: zijn, hij, het.

b) De leerlingen waren enthousiast. Ze hadden zin om te leren.
"Ze" verwijst naar de leerlingen.

c) De paarden schrokken van het voertuig dat te laag vloog.

Verwijswoorden: dat.

Antwoorden

Slide 13 - Slide

Lesdoel(en)
Aan het eind van de les kun je:

- goede vragen stellen en hoe je daarmee een goed gesprek kunt voeren.










Slide 14 - Slide

Instructie 

Slide 15 - Slide

Instructie 

Slide 16 - Slide

Instructie 

Slide 17 - Slide

Instructie 

Slide 18 - Slide

Instructie 

Slide 19 - Slide

Instructie 

Slide 20 - Slide

Instructie 

Slide 21 - Slide

Instructie 

Slide 22 - Slide

Instructie 

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Aan het werk
Wat moet ik doen?
- Maken les 3.3> Opdrachten 1 t/m 10
Hoeveel tijd heb ik?
50 minuten
Wat als ik klaar ben?
- theorie van 3.2 en 3.3 leren
- opdrachten nakijken
Wat als ik een vraag heb?
Steek je je vinger op!
timer
50:00

Slide 25 - Slide

Huiswerk
Afsluiting & opbergen van lesmateriaal
Recitatie
Alle opdrachten van les 6 vanaf bladzijde 130.

Slide 26 - Slide