29-02 TH2 Regelmatige werkwoorden

Wo wohnst du?
1 / 30
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wo wohnst du?

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Springen
schwimmen
A
spring schwim
B
spring schwimm

Slide 3 - Quiz

Wat is de stam van deze twee werkwoorden?
bestellen
angeln
regnen
A
bestell angel reg
B
bestel angel regn
C
bestell angel regn
D
bestel ang reg

Slide 4 - Quiz

Wat is de stam van deze werkwoorden?
Hoe maak je de stam van een werkwoord (in het Duits)?
A
het hele werkwoord + t
B
de hij vorm
C
het hele werkwoord
D
het hele werkwoord -en of -n

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Ik weet hoe ik de stam moet vinden van een werkwoord in het Duits
😒🙁😐🙂😃

Slide 6 - Poll

This item has no instructions

leertijd

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Ich (spielen) mit dem Hund
A
spielt
B
spiele
C
spielen
D
gespielt

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

er (kommen)am Mittwoch
A
komt
B
kommt
C
kommst
D
kommen

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions


ich (hören) einen Hahn
A
hort
B
höre
C
horst
D
horen

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions


Ihr (kaufen) Futter für eine Schildkröte?!
A
kaufst
B
kaufen
C
kaufet
D
kauft

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions


du (springen) so hoch wie ein Känguru
A
springt
B
springst
C
springen
D
springe

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Hannah (streicheln) die Katze
A
streicheln
B
streichele
C
streichelst
D
streichelt

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Wer (wohnen) in diesem Insektenhotel?
A
wohnst
B
wohnen
C
wohnt
D
wohne

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Hannah und Erik (laufen) in dem Zoo
A
lauft
B
laufen
C
laufe
D
laufst

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Müde? Jetzt geht es weiter!

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Uitzonderingen
  • eindigt de stam op een s-klank?( s ss ß x z)  -> uitgang du is een t
  • Bijv. reisen           -> du reist


Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Wie (reisen) du zur Schule?
A
reisest
B
reisst
C
reit
D
reist

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Wie (heißen) du?
A
heißt
B
heiße
C
heißst
D
heißen

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Ik weet hoe ik de uitgangen van een werkwoord in het Duits moet toepassen
😒🙁😐🙂😃

Slide 20 - Poll

This item has no instructions

Wat moet jij nu nog doen?
A
oefenen met het vinden van de stam
B
oefenen met het toepassen
C
het rijtje van "wohnen"uit mijn hoofd leren
D
Niets, ik kan dit

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Voltooid deelwoord
ge+ stam+t              

Mein Hund hat mit der Katze gespielt


Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Uitzonderingen
-ieren   ->  alléén een t
 Was hast du fotografiert

be- ver-   -> alléén een t
Er hat die Katze versorgt


Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Sterke werkwoorden
zwemmen -> ik heb gezwommen
schwimmen -> ich habe geschwommen

In de Lernliste staat de vorm achter het werkwoord: leren!




Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Maak het voltooid deelwoord van spielen
A
spielte
B
gespielt
C
gespield
D
spielten

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Anna hat die Schäfe
(füttern)
A
gefüttert
B
gefütterd
C
gefütert
D
gefüttern

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Ich habe ein Kuh (kaufen)
A
gekaufen
B
bekauft
C
kauft
D
gekauft

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Hast du die Kaninchen schon (versorgen)
A
geversorgt
B
versorgt
C
gesorgt
D
versorgen

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Ik weet hoe ik het voltooid deelwoord maak in het Duits
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

This item has no instructions

Wat moet jij nu nog doen?
A
oefenen met het vinden van de stam
B
oefenen met het toepassen
C
de theorie leren en oefenen
D
Niets, ik kan dit

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions