Werkwoorden `Disk


1 / 50
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 50 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson


Werkwoorden Disk

Learning objective

SAMEN LEZEN boek of een verhaal

Wat gaan we leren?

*Nieuwe werkwoorden (betekenis) H15 Internet en social media


*Vervoegen van werkwoorden

Werkwoorden internet en social media


antwoorden, facebooken, mogen, staan, whatsappen, ontmoeten, chatten,redden, solliciteren, bekijken, geven, missen, vinden, besteden, e-mailen, reageren, repareren, checken



Wat gaan we doen?

  • Lessonup; inoefenen van de zinnen (met werkwoorden)


  • maak de oefeningen op A1 niveau (Groep 1 en 2) schrift

  • maak de oefeningen op A2 niveau (Groep 3)


  • maak zelf zinnen met deze werkwoorden

  • disk; grammatica

Indeling

Groep 1; Yakoub, Nicole, Achmed A,



Groep 2; Shaimae, Alissia, Abdullah, Retaj, Atef, Kostiantyn, Artur, Hanza, Jalal, Achmed S, Mohammed, Yousef




Groep 3; Elif, Ihsan, Andrii, Loujain, Slar, Herivan, Shahyan

Aan de slag

  • Vul de driehoekjes met werkwoorden


  • Schrijf woorden erbij die jou helpen bij het onthouden van de werkwoorden

Werkwoorden internet en social media


antwoorden, facebooken, mogen, staan, whatsappen, ontmoeten, chatten,redden, solliciteren, bekijken, geven, missen, vinden, besteden, e-mailen, reageren, repareren, checken



Zinnen bouwen


Wie?


Doet wat?


Waar?


Wanneer?

Voorbeeld zin

Abdul voetbalt bij Flevo Boys op zaterdag



Wie Wat Waar Wanneer

Maak goede zinnen

Denken; alleen



Delen; tweetal



Uitwisselen; klas

Maak een goede zin

op een vraag hij antwoordt


(verleden tijd)

Goede zin

Hij antwoordt op een vraag.


Hij antwoordde op een vraag.

Maak een goede zin

facebooken met elkaar wij


(verleden tijd)

Correcte zin

Wij facebooken met elkaar


Wij facebookten met elkaar.

Maak een goede zin

niet de wc jij mag naar


(verleden tijd)

Goede zin

Jij mag niet naar de wc.


Jij mocht niet naar de wc.

Maak een goede zin

de bushalte ze staan bij


(verleden tijd)

Correcte zin

Ze staan bij de bushalte.


Ze stonden bij de bushalte.

Maak een goede zin

jij waarom whatsappte mij ?


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

Waarom whatsappte jij mij?


Waarom whatsapp jij mij?



Maak een goede zin

op school zij elkaar ontmoeten


(verleden tijd)

Goede zin

Zij ontmoeten elkaar op school



Zij ontmoetten elkaar op school.

Maak een goede zin

met haar vriendje zij chatte


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

Zij chatte met haar vriendje



Zij chat met haar vriendje.

Maak een goede zin

redden wij het hondje in nood


(tegenwoordige tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

Wij redden het hondje in nood.


Wij redden het hondje in nood.




Wij hebben het hondje gered.

Maak een goede zin

morgen solliciteren ga ik


(verleden tijd)


*CL2 (laatste zin)

Goede zin

Ik ga morgen solliciteren. Ik ging gisteren solliciteren.


Morgen ga ik solliciteren. Gisteren ging ik solliciteren.


Ik ga solliciteren morgen. Ik ging solliciteren gisteren.


I

Maak een goede zin

hebben wij de school bekeken vorige week


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

Vorige week hebben wij de school bekeken. Vandaag bekijken wij de school.


Wij hebben de school vorige week bekeken. Wij bekijken vandaag de school.


Wij hebben de school bekeken vorige week.Wij bekijken de school vandaag.

Maak een goede zin

gaf mij een euro de oude man


(tegenwoordige tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

De oude man gaf mij een euro.


De oude man geeft mij een euro


De oude man heeft mij een euro gegeven.

Maak een goede zin

mijn broertjes ik mis


(verleden tijd)


(voltooide tijd)

Goede zin

Ik mis mijn broertjes.


Ik miste mijn broertjes


Ik heb mij broertjes gemist.

Maak een goede zin

haar ipad nooit meer terug zij vindt


(verleden tijd)


(voltooide tijd)

Goede zin

Zij vindt haar ipad nooit meer terug.


Zij vond haar ipad nooit meer terug.


Zij heeft haar ipad nooit meer terug gevonden.


Maak een goede zin

aan je huiswerk hoeveel tijd besteed jij


(verleden tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

Hoeveel tijd besteed jij aan je huiswerk?


Hoeveel tijd besteedde jij aan je huiswerk?


Hoeveel tijd heb jij aan je huiswerk besteed?


Maak een goede zin

mailen het huiswerk naar elkaar wij


(verleden tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

Wij mailen het huiswerk naar elkaar.


Wij mailden het huiswerk naar elkaar.


Wij hebben het huiswerk gemaild.


Maak een goede zin

jullie altijd reageren op elkaar


(verleden tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

Jullie reageren altijd op elkaar.


Jullie reageerden altijd op elkaar.


Jullie hebben altijd op elkaar gereageerd.


Maak een goede zin

repareerde de auto opa


(tegenwoordige tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

Opa repareerde de auto.


Opa repareert de auto.


Opa heeft de auto gerepareerd


Maak een goede zin

checkte het huiswerk de docent


(tegenwoordige tijd)

(voltooide tijd)

Goede zin

De docent checkte het huiswerk.


De docent checkt het huiswerk.


De docent heeft het huiswerk gecheckt.




Knip werkwoorden!!!!

Slide tekst