Werkwoorden Disk
Learning objective
SAMEN LEZEN boek of een verhaal
Wat gaan we leren?
*Nieuwe werkwoorden (betekenis) H15 Internet en social media
*Vervoegen van werkwoorden
Werkwoorden internet en social media
antwoorden, facebooken, mogen, staan, whatsappen, ontmoeten, chatten,redden, solliciteren, bekijken, geven, missen, vinden, besteden, e-mailen, reageren, repareren, checken
Wat gaan we doen?
Lessonup; inoefenen van de zinnen (met werkwoorden)
maak de oefeningen op A1 niveau (Groep 1 en 2) schrift
maak de oefeningen op A2 niveau (Groep 3)
maak zelf zinnen met deze werkwoorden
disk; grammatica
Indeling
Groep 1; Yakoub, Nicole, Achmed A,
Groep 2; Shaimae, Alissia, Abdullah, Retaj, Atef, Kostiantyn, Artur, Hanza, Jalal, Achmed S, Mohammed, Yousef
Groep 3; Elif, Ihsan, Andrii, Loujain, Slar, Herivan, Shahyan
Aan de slag
Vul de driehoekjes met werkwoorden
Schrijf woorden erbij die jou helpen bij het onthouden van de werkwoorden
Werkwoorden internet en social media
antwoorden, facebooken, mogen, staan, whatsappen, ontmoeten, chatten,redden, solliciteren, bekijken, geven, missen, vinden, besteden, e-mailen, reageren, repareren, checken
Zinnen bouwen
Wie?
Doet wat?
Waar?
Wanneer?
Voorbeeld zin
Abdul voetbalt bij Flevo Boys op zaterdag
Wie Wat Waar Wanneer
Maak goede zinnen
Denken; alleen
Delen; tweetal
Uitwisselen; klas
Maak een goede zin
op een vraag hij antwoordt
(verleden tijd)
Goede zin
Hij antwoordt op een vraag.
Hij antwoordde op een vraag.
Maak een goede zin
facebooken met elkaar wij
(verleden tijd)
Correcte zin
Wij facebooken met elkaar
Wij facebookten met elkaar.
Maak een goede zin
niet de wc jij mag naar
(verleden tijd)
Goede zin
Jij mag niet naar de wc.
Jij mocht niet naar de wc.
Maak een goede zin
de bushalte ze staan bij
(verleden tijd)
Correcte zin
Ze staan bij de bushalte.
Ze stonden bij de bushalte.
Maak een goede zin
jij waarom whatsappte mij ?
(tegenwoordige tijd)
Goede zin
Waarom whatsappte jij mij?
Waarom whatsapp jij mij?
Maak een goede zin
op school zij elkaar ontmoeten
(verleden tijd)
Goede zin
Zij ontmoeten elkaar op school
Zij ontmoetten elkaar op school.
Maak een goede zin
met haar vriendje zij chatte
(tegenwoordige tijd)
Goede zin
Zij chatte met haar vriendje
Zij chat met haar vriendje.
Maak een goede zin
redden wij het hondje in nood
(tegenwoordige tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Wij redden het hondje in nood.
Wij redden het hondje in nood.
Wij hebben het hondje gered.
Maak een goede zin
morgen solliciteren ga ik
(verleden tijd)
*CL2 (laatste zin)
Goede zin
Ik ga morgen solliciteren. Ik ging gisteren solliciteren.
Morgen ga ik solliciteren. Gisteren ging ik solliciteren.
Ik ga solliciteren morgen. Ik ging solliciteren gisteren.
I
Maak een goede zin
hebben wij de school bekeken vorige week
(tegenwoordige tijd)
Goede zin
Vorige week hebben wij de school bekeken. Vandaag bekijken wij de school.
Wij hebben de school vorige week bekeken. Wij bekijken vandaag de school.
Wij hebben de school bekeken vorige week.Wij bekijken de school vandaag.
Maak een goede zin
gaf mij een euro de oude man
(tegenwoordige tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
De oude man gaf mij een euro.
De oude man geeft mij een euro
De oude man heeft mij een euro gegeven.
Maak een goede zin
mijn broertjes ik mis
(verleden tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Ik mis mijn broertjes.
Ik miste mijn broertjes
Ik heb mij broertjes gemist.
Maak een goede zin
haar ipad nooit meer terug zij vindt
(verleden tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Zij vindt haar ipad nooit meer terug.
Zij vond haar ipad nooit meer terug.
Zij heeft haar ipad nooit meer terug gevonden.
Maak een goede zin
aan je huiswerk hoeveel tijd besteed jij
(verleden tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Hoeveel tijd besteed jij aan je huiswerk?
Hoeveel tijd besteedde jij aan je huiswerk?
Hoeveel tijd heb jij aan je huiswerk besteed?
Maak een goede zin
mailen het huiswerk naar elkaar wij
(verleden tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Wij mailen het huiswerk naar elkaar.
Wij mailden het huiswerk naar elkaar.
Wij hebben het huiswerk gemaild.
Maak een goede zin
jullie altijd reageren op elkaar
(verleden tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Jullie reageren altijd op elkaar.
Jullie reageerden altijd op elkaar.
Jullie hebben altijd op elkaar gereageerd.
Maak een goede zin
repareerde de auto opa
(tegenwoordige tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
Opa repareerde de auto.
Opa repareert de auto.
Opa heeft de auto gerepareerd
Maak een goede zin
checkte het huiswerk de docent
(tegenwoordige tijd)
(voltooide tijd)
Goede zin
De docent checkte het huiswerk.
De docent checkt het huiswerk.
De docent heeft het huiswerk gecheckt.
Knip werkwoorden!!!!
Slide tekst