thema 1 - identiteit
thema 1 - identiteit
thema 1 - identiteit
blz 10-11
thema 1 - identiteit
blz 13
woordenschat
thema 1 - doel van de les
ik ken de betekenis van de themawoorden over identiteit.
de cultuur
De gewoontes van een groep.
In onze cultuur is het belangrijk om respect te hebben voor ouderen.
blz 14 - 15
je identificeren met
Je bij iets of iemand vinden passen.
Ik identificeer mij met mijn klasgenoten, want we maken dezelfde dingen mee.
je identificeren met
Hoe je op anderen overkomt.
Die rappers hebben een stoer imago.
het imago
Hoe je op anderen overkomt.
Die rappers hebben
een stoer imago.
de karaktereigenschap
Dit zegt iets over hoe je
denkt, je voelt of
gedraagt.
Een karaktereigenschap van Janna is haar geduld.
de nationaliteit
Bij welk land je hoort, meestal je geboorteland of
het geboorteland van je ouders.
Je nationaliteit staat in je paspoort.
Mijn nationaliteit is Surinaams.
de passie
Dat waar je enthousiast van wordt.
Ik ga vijf keer per week kunstschaatsen, omdat ik daar een passie voor heb!
de principes
Dat wat je belangrijk vindt.
Ik roddel nooit. Dat is tegen mijn principes.
typerend
Iets wat kenmerkend is voor iets of iemand.
Het is typerend voor Tomas dat hij zo reageert:
hij wordt snel boos.
de vooroordelen
Hoe je over iemand denkt voordat je diegene goed kent.
Mijn buurman heeft vooroordelen over vluchtelingen.
het zelfbeeld
Wat je van jezelf vindt.
Ik was eerst best onzeker,
maar mijn zelfbeeld wordt steeds beter.
Wat is identiteit?
blz 16
opdracht 1 - De themawoorden bespreken
blz 16-17
opdracht 2 - Themawoorden in een zin
blz 18-19
opdracht 4b - Creatief met themawoorden
blz 22
maken
opdracht 1a, blz 16 & 17
opdracht 2, blz 18 & 19
laten zien aan docent
daarna oefenen in Studiemeter