Les 005

Welkom!
programma
woordenschat
onderwerp & hoofdgedachte
tekstsoorten


1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsEnseignement Secondaire

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Welkom!
programma
woordenschat
onderwerp & hoofdgedachte
tekstsoorten


Slide 1 - Slide

Opwarmer
Prinsjesdag Lubach


Slide 2 - Slide

Wat betekent parafraseren?
A
Een tekst verkorten door belangrijke informatie over te nemen.
B
Een tekst analyseren door impliciete betekenis bloot te leggen.
C
Een uitspraak in een andere context plaatsen.
D
De inhoud van een tekst in eigen woorden weergeven.

Slide 3 - Quiz

Wat betekent paradox?
A
Een redenering waarin twee uitgangspunten elkaar uitsluiten.
B
Een conclusie die strijdig is met normen.
C
Een tegenstelling tussen twee opvattingen.
D
Een uitspraak die tegenstrijdig lijkt, maar zinvol is.

Slide 4 - Quiz

Wat betekent zich oriënteren?
A
Een definitief standpunt innemen na afweging.
B
Zich informeren over mogelijkheden om de richting te bepalen.
C
Zich richten op een vastgesteld doel.
D
Een bestaande overtuiging aanpassen op basis van inzichten.

Slide 5 - Quiz

Wat betekent moreel in de zin: 'Het moreel van de soldaten was na maanden van strijd aanzienlijk gedaald'?
A
Hun gehoorzaamheid aan militaire en maatschappelijke regels.
B
Hun geestelijke gesteldheid, strijdlust en vertrouwen.
C
Hun overtuiging dat hun strijd gerechtvaardigd was.
D
Hun vermogen om morele dilemma's te herkennen.

Slide 6 - Quiz

Wat betekent moraliteit?
A
De mate waarin iemand zich aan wetten houdt.
B
De bereidheid om persoonlijke belangen ondergeschikt te maken aan maatschappelijke waarden.
C
Het vermogen om gedrag zonder vooroordelen te beoordelen.
D
De verzameling opvattingen en principes over wat goed en kwaad is.

Slide 7 - Quiz

Wat betekent Gutmensch?
A
Iemand die betrokkenheid gebruikt voor aanzien.
B
Iemand die algemeen belang boven persoonlijk stelt.
C
Iemand die morele overtuigingen in praktijk brengt.
D
Spottende benaming voor naïef idealist.

Slide 8 - Quiz

Wat betekent pedant?
A
Zeer nauwkeurig zonder afwijkingen.
B
Overdreven zelfverzekerd zijn en kritiek negeren.
C
Op een neerbuigende manier kennis etaleren.
D
Zich bescheiden voordoen voor waardering.

Slide 9 - Quiz

Wat betekent gimmick?
A
Vernieuwende eigenschap die product onderscheidt.
B
Herkenbaar stijlmiddel van kunstenaar.
C
Een truc om aandacht te trekken.
D
Misleidende techniek voor aankoop.

Slide 10 - Quiz

Wat betekent devalueren?
A
Waarde bewust ter discussie stellen.
B
Waarde opnieuw vaststellen op basis van omstandigheden.
C
De waarde van iets verminderen.
D
Oorspronkelijke waarde herstellen na afname.

Slide 11 - Quiz

Wat betekent autonomie?
A
Bevoegdheid om namens anderen te beslissen.
B
De vrijheid om zelfstandig beslissingen te nemen.
C
Het vermogen om objectief oordeel te vormen.
D
Streven naar onafhankelijkheid van normen.

Slide 12 - Quiz

Mensen blijven liever onwetend over de negatieve gevolgen van hun keuzes.
=
willfull ignorance


Slide 13 - Slide

Kern
Lees de tekst op blz. 36 van het witte boek tvo de les.
Schrijf beschouwende tekst
https://docs.google.com/document/d/1tZlMDZXFJPryAKbV3J2u8Uzol8Fpt3ax517nJUWJT-I/edit?usp=sharing

Slide 14 - Slide

Beschouwing

De paradox van autonomie is dat jongeren steeds meer vrijheid krijgen om hun eigen keuzes te maken, maar zich tegelijkertijd steeds sterker laten beïnvloeden door sociale media en maatschappelijke verwachtingen.

Slide 15 - Slide

Les 005

Slide 16 - Slide