H3 GL6CG + voorbereiding ww

Havo 3 Frans periode 4
1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Havo 3 Frans periode 4

Slide 1 - Slide

Doelen- en toetsoverzicht periode 4
Aan het eind van deze periode kan ik:
... de woorden en zinnen die te maken hebben met vrije tijd/ sport; communicatie; gevoelens correct vertalen (FN)
... mijzelf schriftelijk voorstellen en schrijven over mijn gewoontes (hoe laat ik opsta, naar school ga, etc), hobby's, baantjes en karakter
... een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven
... de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en de onregelmatige werkwooden être, avoir, faire, aller en venir
... het delend lidwoord correct gebruiken
... personen/ dieren/ dingen met elkaar vergelijken
... uit korte, eenvoudige teksten de belangrijkste informatie benoemen. De teksten gaan over vertrouwde onderwerpen in alledaagse taal. De woordenschat bestaat uit woorden die veel voorkomen. Het niveau is A2 (ERK)

SO week 23


SCHRIJFTOETS week 26 + la phrase du cours + vlog Luik

SO week 24





REPETITIE week 27

Slide 2 - Slide

Wat doen we vandaag?
Ik kan ...
1. de woorden en zinnen die te maken hebben met vrije tijd/ sport; communicatie; gevoelens correct vertalen (FN) SO
3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven pdc
4a. de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en être/ avoir/faire/venir/aller oefening

Slide 3 - Slide

SO les verbes
Ik kan de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en de onregelmatige werkwooden être, avoir, faire, aller en venir

Slide 4 - Slide

(=komen)

Slide 5 - Slide

(=gaan)

Slide 6 - Slide

Venir, je, passé composé (!)
A
je suis venu
B
je suis venue
C
je venais
D
j'ai venu

Slide 7 - Quiz

aller, tu, imparfait
A
tu vas
B
tu allais
C
tu es allé(e)
D
tu iras

Slide 8 - Quiz

komen, wij, futur simple

Slide 9 - Mind map

aller, ils, présent

Slide 10 - Mind map

Slide 11 - Link

il est ....
A
une heure et demie
B
deux heures
C
deux heures et demie
D
une heure

Slide 12 - Quiz

il est ....
A
huit heures et demie
B
neuf heures moins demie
C
neuf heures
D
huit heures

Slide 13 - Quiz

il est ....
A
midi moins le quart
B
onze heures moins le quart
C
onze heures et quart
D
onze heures et quinze

Slide 14 - Quiz

il est ....
A
six heures et quart
B
six heures moins le quart
C
sept heures et quart
D
sept heures moins le quart

Slide 15 - Quiz

ma journée
  • Tu te lèves à quelle heure?
  • Tu te douches à quelle heure?
  • Tu t'habilles à quelle heure?
  • Tu prends ton petit déjeuner à quelle heure?
  • Tu pars à l'école à quelle heure?
  • Tu rentres à quelle heure?
  • Tu te couches à quelle heure?
wat valt je op bij deze werkwoorden?
Geef mondeling antwoord, let op de vervoeging!

Slide 16 - Slide

Vertaal:
School eindigt om kwart voor vier (GL6ABEF) om = à

Slide 17 - Open question

La phrase du cours*
4. Ik sta op om 7 uur, (ik) kleed me aan en ik vertrek om 8 uur. School begint om half 9 en eindigt om kwart voor vier.

(GL6ABEF + le cahier de verbes; beginnen = commencer; school = l'école; om = à)




*Iedere les een nieuwe zin om te vertalen

Slide 18 - Slide

LA PHRASE DU COURS
Presenteer jezelf met behulp van GL6CG.
Losse woorden kun je vertalen met de woordenlijsten van GL6 of met het uitgedeelde woordenboek NF
GL6G: herhaal een deel van de vraag voor je eigen zin
vertaling CG doornemen

Slide 19 - Open question

c'est en forgeant on devient forgeron

Slide 20 - Slide

Au travail: les devoirs 
Faire (maken): 
  • Grandes Lignes 6F (ex. 22 t/m 25)
  • Grandes Lignes 6CG (ex. 12 t/m 14, 26 t/m 28)
  • la phrase du cours 1 t/m 6 (zie LB)

Apprendre (leren):
  • Grandes Lignes 6ABCEFGH 
SO les verbes: vendredi le 16 juin
Werk zachtjes, 
zodat iedereen zich kan concentreren
vraag zoveel mogelijk om hulp!
Ik kan 3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven

Slide 21 - Slide

doel bereikt?
Ik kan ...
1. de woorden en zinnen die te maken hebben met vrije tijd/ sport; communicatie; gevoelens correct vertalen (FN) SO
3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven pdc
4a. de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en être/ avoir/faire/venir/aller oefening

Slide 22 - Slide

Au revoir!

Slide 23 - Slide

GL6F ex23

Slide 24 - Slide

Overleg in 2 groepen (1 mol per groep)
Welke groep geeft de correcte antwoorden op de vragen bij de 4 teksten en wint? Let op: lees de vraag goed! Je mag een wb gebruiken
Fout? Dan wint de mol
1 per groep vult antwoord a t/m d in

Slide 25 - Open question

Tu te lèves à quelle heure?
Tu te douches à quelle heure?
Tu t'habilles à quelle heure?
Tu prends ton petit déjeuner à quelle heure?
Tu pars à l'école à quelle heure?
Tu rentres à quelle heure?
Tu te couches à quelle heure?

Slide 26 - Open question