Zinsdelen herkennen met emoticons

Zinsdelen herkennen

1 / 19
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsPrimary EducationAge 10

This lesson contains 19 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Zinsdelen herkennen

Wat weet jij al over zinsdelen?

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je de persoonsvorm, het onderwerp, het lijdend voorwerp en de bepalingen herkennen in een zin.

Wat zijn zinsdelen?

Een zin bestaat uit verschillende stukjes, die zinsdelen worden genoemd. Elk zinsdeel heeft een eigen taak in de zin.

De persoonsvorm

De persoonsvorm is het eerste werkwoord in de zin. Het vertelt ons wat er gedaan wordt.


Voorbeeld:

Ik loop naar huis.

Ik kan een taart bakken.

Het onderwerp

Het onderwerp vertelt wie of wat iets doet in de zin.


Voorbeeld:

De hond blaft.

Het lijdend voorwerp

Soms hoort er nog iets bij de persoonsvorm en het onderwerp. Dit is het lijdend voorwerp.


Voorbeeld:

Ik lees het boek.

Bepalingen

Bepalingen geven extra informatie zoals waar, wanneer of hoe iets gebeurt.


Voorbeeld:

Gisteren speelde ik in de sneeuw.

Snel loopt hij naar school.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Antwoorden met emoticons

We gaan nu oefenen! Gebruik de juiste emoticon bij elk zinsdeel in de Teams-reacties.

Oefening 1: Welke zinsdeel is dikgedrukt?

De kat vangt een muis in de tuin.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 1: Welke zinsdeel is dikgedrukt?

De kat vangt een muis in de tuin.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 1: Welke zinsdeel is dikgedrukt?

De kat vangt een muis in de tuin.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 1: Welke zinsdeel is dikgedrukt?

De kat vangt een muis in de tuin.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 2: nog een zin

Morgen fietsen wij snel naar het park.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 2: nog een zin

Morgen fietsen wij snel naar het park.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 2: nog een zin

Morgen fietsen wij snel naar het park.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Oefening 2: nog een zin

Morgen fietsen wij snel naar het park.

Persoonsvorm =


Onderwerp =


Lijdend voorwerp =


Bepaling =

Leerdoel

Aan het einde van deze les kun je de persoonsvorm (pv) en het gezegde (gez) herkennen in een zin.

Nog één keer... De persoonsvorm

De persoonsvorm is het eerste werkwoord in de zin. Het vertelt ons wat er gedaan wordt.


Voorbeeld:

Ik loop naar huis.

Ik kan een taart bakken.