BTC VIP-event 26

Denkklassen creëren
Build thinking classrooms (BTC)
Peter Liljedahl

https://www.buildingthinkingclassrooms.nl/

Corien Moes, beleidsadviseur taal en rekenen mbo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMBOStudiejaar 4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min
Report this lesson

Items in this lesson

Denkklassen creëren
Build thinking classrooms (BTC)
Peter Liljedahl

https://www.buildingthinkingclassrooms.nl/

Corien Moes, beleidsadviseur taal en rekenen mbo

Met welke verwachting ben je gekomen?

Waarom

Studenten moeten leren denken en handelen, niet alleen procedures uitvoeren

Hoe

Wat

Een klas waarin studenten actief, zelfstandig en samen wiskundig denken

Door denktaken, samenwerking, zichtbare uitwerking en coachend docentgedrag

De belangrijkste gedachte



Denkopdracht → willekeurige groepen → werken op verticale,

niet-permanente oppervlakken → docent stelt vragen die het denken stimuleren → studenten zichtbaar laten maken hoe ze denken


Het doel is een verschuiving van:

“De docent legt uit → student doet na”

naar:

“Student krijgt een probleem → student denkt → student overlegt → docent ondersteunt het denkproces.”


Voor welk doel zet je BTC in?

  • Bij binnenkomst de studenten in de “rekenmodus” zetten

  • Voorkennis activeren

  • Na een korte instructie zelfstandig aan de slag

  • Als lesafsluiter


  • Gebruik je het voor de hele les of voor een gedeelte?

    • Gebruik je voor een gedeelte van de les, denk dan aan de voorspelbaarheid en maak gebruik van een timer op het bord


Welke vraag wordt gesteld?

Is het voor een cijfer?

A

Nabijheidsvraag

B

Stop met nadenkenvraag

C

Blijf nadenkenvraag

Welke vraag wordt gesteld?

Mag ik naar het toilet?

A

Nabijheidsvraag

B

Stop met nadenkenvraag

C

Blijf nadenkenvraag

Welke vraag wordt gesteld?

Mag ik ook een kommagetal gebruiken?

A

Nabijheidsvraag

B

Stop met nadenkenvraag

C

Blijf nadenkenvraag

Welke vraag wordt gesteld?

Welke formule moet ik gebruiken?

A

Nabijheidsvraag

B

Stop met nadenkenvraag

C

Blijf nadenkenvraag

Welke vraag wordt gesteld?

Waarom hebben de anderen een ander antwoord?

A

Nabijheidsvraag

B

Stop met nadenkenvraag

C

Blijf nadenkenvraag

Vragen stellen aan de docent

  • Nabijheidsvragen, stellen studenten als je rondloopt tijdens de les (Mag ik naar het toilet? of Komt dit ook op het proefwerk?) Vragen stellen die niks met de opdracht te maken hebben


  • Stop-met-denken-vragen (Klopt mijn antwoord?) Studenten hopen dat je antwoord geeft, dan hoeven ze niet verder na te denken.


  • Blijf-denken-vragen (We willen dit ook voor het negatieve getal oplossen, mag dat? of Mogen we ook kommagetallen gebruiken?)


  • Soms kan het helpend zijn om deze typen vragen met studenten door te nemen, zodat ze zelf kunnen nadenken over de vraag die ze willen stellen.

Aantekeningen maken?

A

Ja verplicht, als ik deze op het bord zet, schrijven de studenten gelijk met je mee

B

Ja, maar pas als ik de aantekeningen heb uitgelegd

C

Nee, niet verplicht

D

Ik weet niet of studenten aantekeningen maken

Welke aantekeningen zijn nuttig?

  • Live aantekeningen

    • Ik-schrijf-jij-schrijft-aantekeningen

    • De docent legt a.d.h.v. een voorbeeld iets uit, studenten schrijven gelijk mee

      • Luisteren en schrijven en snappen tegelijkertijd

    • Aantekeningen maken moet het leren ondersteunen, niet het denken vervangen

  • Dode aantekeningen

    • Luisteren en schrijven tegelijkertijd en niet snappen waarom en wat je opschrijft

  • Studenten maken geen aantekeningen, want

    • Ze vinden de aantekeningen niet interessant of belangrijk

    • Ze kunnen deze ook terugvinden in hun werkboek of PowerPointpresentatie

    • Ze denken dat ze de informatie al snappen of ze onthouden het wel

  • Stel de volgende vraag aan het eind van de les (of nadat je aantekeningen op het bord hebt gemaakt)

Wat ga je opschrijven zodat je over drie weken nog weet wat je vandaag hebt geleerd?

  • Laat aan de studenten de keuze of ze een afbeelding maken van de aantekeningen of dat ze hele zinnen opschrijven of zelf een voorbeeld opschrijven. Neem hier ruim de tijd voor, studenten hebben nadenktijd nodig en soms ook overleg met andere studenten.

  • Over drie weken laat je de studenten een opdracht maken met behulp van de aantekeningen die ze vandaag hebben gemaakt.

Met welke excuses komen jouw studenten voor het niet maken van huiswerk?

Huiswerk, nuttig??? Voor wie??

  • Niet gemaakt

    • Geen tijd (i.v.m. sport, gamen, werken)

    • Vergeten

    • Geen idee hoe ze de opdrachten moeten aanpakken

    • Niet doen, “het is toch niet voor een cijfer”

  • Gesjoemeld (overschrijven)

  • Hulp gehad (van AI, medestudenten, ouders/verzorgers, of anderen)

Noem het: Check-je-begrip-opgaven

  • Je geeft de antwoorden gelijk met de opgaven

    • Liever niet gelijk de hele uitwerking

  • Vertel de studenten dat het niet uitmaakt of ze alles compleet hebben gemaakt, als ze maar laten zien dat ze iets geprobeerd hebben

  • Laat ze in groepjes, tijdens de les, hun uitwerkingen bespreken

    • De opgaven die ze niet snapten leg je nogmaals uit


Hoe maak je een BTC-opdracht?

Vraag Co-pilot om een rekenopgave om te zetten naar een BTC-opdracht

  • Wat is het doel van de opdracht (toepassen nieuwe kennis, voorkennis activeren)

  • Geef duidelijk aan voor welk niveau de opdracht is

  • Hou rekening met de tijd die de studenten aan de opdracht mogen besteden (inleiding van de les of een hele les?

  • Zorg voor minimaal 1 differentiatieopdracht

Algemene voorbereidingen


Whiteboardvellen 60x80

Legamaster Magic-Chart whiteboard folie 60x80cm | bol


Pakje spelkaarten, om willekeurige groepjes te maken


Whiteboard stiften, het liefst geen rood


Microvezeldoekjes om de vellen schoon te maken


Website: https://www.buildingthinkingclassrooms.nl/

Aan de slag, les verloop


  • Studenten gaan rond de docent staan, zodat ze luisteren naar de opdracht

  • De docent vertelt wat de opdracht is

  • Studenten krijgen van de docent een spelkaart

  • Studenten gaan in een groepje van 3 bij elkaar staan, kijken naar het symbool of het getal op hun spelkaart

  • Per groepje in whiteboardvel, 1 stift, 1 microvezeldoekje

  • Studenten gaan zelfstandig aan de slag

  • De docent heeft een coachende rol (denk aan de type vragen), geef alleen hints als je merkt dat studenten gefrustreerd raken

  • Als iedereen de opdracht heeft gemaakt, laat je de studenten aan elkaar vertellen hoe ze tot een oplossing zijn gekomen. Studenten mogen elkaar ook bevragen

  • Je hoeft niet alle oplossingen te bespreken, alleen de verschillen

Welke vraag is nog onbeantwoord gebleven?

Zou je meer te weten willen komen over BTC?

A

Nee, ik weet genoeg, anders zoek ik zelf wel op internet

B

Ja, ik zou dit met mijn team willen uitproberen. Ik heb meer uitleg nodig, een workshop zou handig zijn

C

Ja, ik wil eerst meer informatie inwinnen door bijvoorbeeld een webinar te volgen. Daarna kan ik besluiten of ik mijn team ga informeren.

D

Nee, want ik weet niet hoe ik dit in mijn eigen lessen moet toepassen. Het kost mij teveel tijd om dit allemaal uit te zoeken.

Opdracht voor vandaag

  • Een opwarmertje

  • Bedenk 25 sommen waarbij het antwoord 4 is, daag jezelf en jouw groepje uit



  • De leerlingenraad organiseert een schoolreis. Er gaan 120 leerlingen mee.

    Bij het boeken van de bus krijgen ze twee aanbiedingen:

    • Bus A: €1.440 voor de hele bus.

    • Bus B: €13 per leerling.

    De school heeft een budget van €1.500.

    Welke bus zouden jullie kiezen?

    Onderbouw jullie keuze zo duidelijk mogelijk.
    Probeer minstens twee verschillende manieren te vinden om de aanbiedingen te vergelijken.

Mogelijke aanpak 1: per leerling

Bus A: 1440 : 120 = 12

Bus A kost dus €12 per leerling.

Bus B kost €13 per leerling.

Conclusie: Bus A is goedkoper.



Mogelijke aanpak 2: totaalbedrag

Bus A: €1.440

Bus B: 120 x €13 = €1.560

Bus B kost dus €120 meer




Differentiatievraag: Bij hoeveel leerlingen zijn Bus A en Bus B precies even duur?