kernsplijting 3H

Kernverval en kernsplijting
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Kernverval en kernsplijting

Slide 1 - Slide

Waaruit zijn stoffen opgebouwd?
A
Moleculen
B
Atomen
C
Splinters
D
stoffen

Slide 2 - Quiz

Waaruit zijn moleculen opgebouwd?
A
stoffen
B
atomen

Slide 3 - Quiz

Juist of onjuist:

Atomen zijn opgebouwd uit moleculen
A
Juist
B
Onjuist

Slide 4 - Quiz

Hiernaast zie je een model van een molecuul.

Uit hoeveel verschillende soorten atomen bestaat dit molecuul?
A
3
B
4
C
5
D
8

Slide 5 - Quiz

atomen als bouwstenen

Slide 6 - Slide

Element: een molecuul dat uit één atoomsoort bestaat.
Molecuul dat uit één soort atomen bestaat

Slide 7 - Slide

Bouw van een atoom
De kern van een atoom is opgebouwd uit protonen en neutronen.
  • Proton: positief
  • Neutron: neutraal (geen lading)
  • Elektron: negatief

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Onthouden:
  • Het atoomnummer = aantal protonen
  • Het massagetal = aantal protonen + neutronen
  • Bij een compleet atoom is het aantal electronen gelijk aan het aantal protonen
  • Protonenen neutronen zijn ongeveer even zwaar.
  • Electronen hebben bijna geen massa

Slide 10 - Slide

Welke stof is dit?
  • Kijk in je binas naar een stof met 2 protonen.
  • Dit is helium, want helium heeft altijd 2 protonen in de kern.

Slide 11 - Slide

Dit is de juiste notatie van een atoom.

Slide 12 - Slide

Het massa getal veranderd.
  • Het masssa getal is veranderd. Is het nogsteeds Helium?
  • Ja, want er zitten 2 protonen in de kern.

Slide 13 - Slide

Welke stof is dit?
  • Het atoom is nu zwaarder. Is het nu nog steeds Heluim?
  • Ja, want het aantal protonen in de kern is nog steeds 2.

Slide 14 - Slide

Isotopen
Atomen van één element hebben hetzelfde aantal protonen in de kern maar kunnen een verschillend aantal neutronen hebben
(het atoomnummer is hetzelfde, maar het massagetal is anders). 
Li-6              Li-7          Li-8

Slide 15 - Slide

Drie soorten ioniserende straling
  1. Alfastraling 
  2. Bètastraling
  3. Gamma straling

Slide 16 - Slide

Straling
  • Straling brengt energie over. 
  • Hoe meer energie straling overbrengt des te meer effect op de materie. 
  • Straling kan zoveel energie bevatten dat het schade aan weefsels van levende wezens aanbrengt.
  • Straling die zoveel energie bevat dat het veranderingen in atomen of moleculen kan veroorzaken heet ioniserende straling.
  • stoffen die ioniserende straling uitzenden zijn radioactief.

Slide 17 - Slide

Soorten straling
De ioniserende straling lopen van minder sterk naar sterk:
α (Alfa) straling
β (Beta) straling
γ (Gamma) straling

Slide 18 - Slide

Geigerteller

Ioniserende straling kun je met een geigerteller meten.


Hij geeft klikjes als er straling aanwezig is, hij verklikt dus eigenlijk de straling.

Slide 19 - Slide

Ioniserende straling

Straling die de moleculen kapot kan maken, wordt ioniserende straling genoemd.


UV straling is zwak ioniserend. Er is veel ultraviolette straling nodig om een behaalde hoeveelheid stof af te breken. Röntgenstaling is veel sterker ioniserend. Daardoor kan deze straling je gemakkelijk ziek maken.

Slide 20 - Slide

α straling
  • α straling bestaat uit twee protonen en twee neutronen = Helium 4 isotoop.
  • Hoge energie en dus sterk ioniserend
  • Relatief groot en dus klein                                                                       doordringeend vermogen.
  • Erg gevaarlijk.  



Slide 21 - Slide

β Straling
  • β straling bestaat uit elektronen
  • Minder zwaar dus ze hebben minder energie.
  • Matig ioniserend 
  • Matig doordringend centimeters in het menselijk lichaam.
  • In de lucht is het doordringend vermogen ongeveer 3 m.
  • Ontstaat door het uiteenvallen van een neutron in de kern

Slide 22 - Slide

γ straling
  • γ straling bestaat uit energierijke elektromagnetische straling. De deeltjes bestaan uit fotonen. Deze deeltjes bevatten nog minder energie dan β-deeltjes en het ioniserend vermogen is dan ook kleiner. 
  • Hoog doordringbaar vermogen.

Slide 23 - Slide


A
alfa-straling heeft het grootste doordringend vermogen
B
bèta-straling heeft het grootste doordringend vermogen
C
gamma-straling heeft het grootste doordringend vermogen
D
neutronen hebben het grootste doordringend vermogen

Slide 24 - Quiz

Hiernaast de voorstelling van een atoom. De witte bolletjes stellen voor...
A
De protonen
B
De neutronen
C
De elektronen
D
Het goede antwoord staat er niet bij

Slide 25 - Quiz

Hiernaast de voorstelling van een atoom. De blauwe bolletjes stellen voor:..
A
De protonen
B
De neutronen
C
De elektronen
D
Het goede antwoord staat er niet bij

Slide 26 - Quiz

Een atoom is neutraal ...
A
Als er neutronen in zitten.
B
Als er meer neutronen dan protonen in zitten.
C
Als er meer neutronen dan elektronen inzitten.
D
Als er evenveel protonen als elektronen in zitten.

Slide 27 - Quiz

Hiernaast de weergave van een radio-actieve kern Pollonium-214. Hoeveel neutronen heeft deze kern?
A
84
B
214
C
214-84 = 130
D
Dat is niet te zeggen: je weet niet of het een atoom of een ion is.

Slide 28 - Quiz

Welke deeltjes binnen het atoom zorgen voor de massa? (meerdere antwoorden zijn mogelijk)
A
De protonen
B
De neutronen
C
De elektronen

Slide 29 - Quiz

De kern van een atoom bestaat uit?
A
protonen en elektronen
B
protonen en neutronen
C
elektronen en neutronen

Slide 30 - Quiz

Neutronen hebben een:
A
Positieve lading
B
Negatieve lading
C
Neutrale lading

Slide 31 - Quiz

Hoe heten de negatief geladen deeltjes die kunnen bewegen?
A
protonen
B
elektronen
C
positronen
D
neutronen

Slide 32 - Quiz

Een koperatoom heeft 29 protonen en 34 neutronen.

Wat is het massagetal?

A
63
B
62
C
5
D
4

Slide 33 - Quiz