Herhaling lastige toetstermen

Deze gaan we herhalen:
Toetsterm 1.4, 1.5, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 4.3, 5.1, 5.2, 5.3
1 / 74
next
Slide 1: Slide
salesMBOStudiejaar 2,3

This lesson contains 74 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Deze gaan we herhalen:
Toetsterm 1.4, 1.5, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 4.3, 5.1, 5.2, 5.3

Slide 1 - Slide

Toetsterm 1.4: Verkoopcyclus

Slide 2 - Slide

Voorbereidingsfase
Hierin bereid je jezelf voor op de ontmoeting van de klant

Slide 3 - Slide

Openingsfase
Hierin maak je kennis met de klant

Slide 4 - Slide

Informatiefase
Hierin geef je de klant informatie over het product of de dienst en ga je in op vragen die de klant stelt.

Slide 5 - Slide

Transformatiefase
Hierin probeer je zoveel mogelijk bezwaren en weerstanden van de klant te bespreken en/of te weerleggen. Jij moet de klant positieve beweegredenen om jou product of dienst te geven.

Slide 6 - Slide

Afsluitfase
Hierin beslist de klant of de order wel of niet doorgaat. De klant geeft dan een afsluitsignaal, een verbaal of non-verbaal signaal waarmee de klant te kennen geeft dat hij een besluit heeft genomen

Slide 7 - Slide

Relatiefase
Inmiddels heeft de klant iets gekocht en is het jouw taak de relatie met de klant goed te onderhouden.

Slide 8 - Slide

In welke fase van het verkoopproces wordt gesproken over levervoorwaarden?
A
Introductiefase
B
Afsluitfase
C
Informatiefase
D
Transformatiefase

Slide 9 - Quiz

In welke fase van het verkoopproces worden klantbehoeften in kaart gebracht?
A
Informatiefase
B
Onderhandelingsfase
C
Voorbereidingsfase
D
Transformatiefase

Slide 10 - Quiz

Slide 11 - Slide

Een bedrijf plaatst links op de website van andere organisaties. Het betaalt voor elke bezoeker die via zo’n link de website bezoekt. Waarvan is hier sprake?
A
Affiliate marketing
B
link-building
C
zoekmachinemarketing
D
webvertising

Slide 12 - Quiz

Een bedrijf verstuurt een nieuwsbrief naar klanten met een gerichte promotionele
actie. Waarvan is hier sprake?

A
Affiliate marketing
B
E-mailmarketing
C
link-building
D
appvertising

Slide 13 - Quiz

Welk model structureert de stappen van de verkoopcyclus? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
AIDA-model
B
DAGMAR-model
C
VOITA-model
D
VOCATIO-model

Slide 14 - Quiz

Toetsterm 2.2: Indirect klantcontact
Een bedrijf huurt ook vaak mensen in om werk voor ze te doen.
Commissionair = een tussenpersoon die op eigen naam overeenkomsten sluit, maar voor rekening van een opdrachtgever (de committent).
Agent = Handelsagent spoort in een bepaalde markt klanten op met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van hun opdrachtgever.

Slide 15 - Slide

Toetsterm 2.2: Indirect klantcontact
Een bedrijf huurt ook vaak mensen in om werk voor ze te doen.
Makelaar = helpt bij het (ver)kopen van huizen.
Jobber = vaak een groothandelaar dat onderdelen levert.
Value-added reseller = iemand die een product inkoopt en dat voor een duurdere prijs verkoopt.

Slide 16 - Slide

Een eigenaar van onroerend goed besluit een van zijn bedrijfspanden te verkopen. Hij huurt een specialist in om hem hierbij te helpen. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber

Slide 17 - Quiz

Een exportbedrijf wil komend jaar grondstoffen in het buitenland kopen. Het bedrijf schakelt een tussenpersoon in. Deze zal op eigen naam de grondstoffen in het buitenland kopen. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber

Slide 18 - Quiz

Eric is ingehuurd door een opdrachtgever en spoort in een bepaalde markt klanten op met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber

Slide 19 - Quiz

Toetsterm 2.3

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Welke indeling van de salesfuncties wordt in deze organisatie gehanteerd? 2 antwoorden goed
A
geografische indeling
B
productgerichte indeling
C
afnemersgerichte indeling
D
marktgerichte indeling

Slide 25 - Quiz

Wat zijn voordelen van een geografische salesorganisatie in vergelijking tot een
marktgerichte? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
de verkopers hebben inzicht in de verschillende klantbehoeften
B
de verkopers hebben veel productkennis
C
de verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
er is inzicht in de opbrengsten en kosten per rayon

Slide 26 - Quiz

Wat zijn voordelen van een afnemersgerichte organisatie? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
De verkopers hebben inzicht in de verschillende klantenbehoeften
B
De verkopers hebben specifieke kennis van inkoopmarkten
C
De verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
De verkopers zijn goed in staat het onderscheid te maken tussen klanten

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Slide

Wat is een cold prospect?
A
een ex-klant die op het punt staat weer een order te plaatsen
B
Een potentiële klant die op korte termijn nog geen order wil plaatsen
C
Iemand uit de doelgroep waarmee nog geen contact is geweest
D
Een die al heeft laten blijken dat hij interesse heeft door naar de website te gaan

Slide 29 - Quiz

Wat is een suspect?
A
Een ex-klant die op het punt staat weer een order te plaatsen
B
Een klant die op korte termijn nog geen order wil plaatsen
C
Een klant uit de doelgroep waarmee nog geen contact is geweest
D
Een verdachte die al een order heeft geplaatst

Slide 30 - Quiz

Welke taken heeft een accountmanager? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
Leiden van een verkoopteam
B
Managen van topklanten
C
Onderhouden van relaties met klanten
D
Ontwikkelen van accountplannen

Slide 31 - Quiz

Welke functionaris heeft als belangrijke taak: ‘het managen van de relatie met
strategische klanten’?
A
accountmanager
B
key-accountmanager
C
salesmanager

Slide 32 - Quiz

Wat doet een merchandiser?
A
alle activiteiten die op de plaats van verkoop het product zichtbaar of beter grijpbaar maken
B
rondlopen in kleding van de zaak met het logo erop
C
onderhoud de relaties met vaste en stategische klanten
D
naar de klant toe om nieuwe producten in het assortiment te promoten en verkopen

Slide 33 - Quiz

Slide 34 - Slide

Een accountmanager bezoekt op eigen initiatief een klant in Brabant. Van welke vorm van verkoop is sprake?
A
actieve verkoop
B
indirecte acquisitie
C
receptieve verkoop

Slide 35 - Quiz

Een supermarkteigenaar brengt een bezoek aan een groothandel. Hij bekijkt het assortiment en vraagt een prijslijst op aan de verkoper. Van welke vorm van verkoop is hier sprake?
A
actieve verkoop
B
indirecte acquisitie
C
receptieve verkoop
D
niet-persoonlijke verkoop

Slide 36 - Quiz

Wat is het doel van de Autoriteit Persoonsgegevens?
A
De ethiek van reclame naar burgers toe bewaken
B
Informatie over burgers veiligstellen en waarborgen
C
Toezicht houden op informatiestroom naar burgers

Slide 37 - Quiz

Wat is het doel van de Stichting Reclame Code?
A
De ethiek van advertenties bewaken, wat mag wel en wat niet
B
Informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
Toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie

Slide 38 - Quiz

Wat is een medium?
A
Drager van een reclameboodschap aan personen uit de doelgroep
B
proces waarbij alle informatie van de ontvanger terugkeert naar de ontvanger
C
storing in het overbrengen van een reclameboodschap aan de doeglroep

Slide 39 - Quiz

Slide 40 - Slide

Wat is een sellogram?
A
Een klantenregister dat voornamelijk wordt gebruikt voor marktonderzoek
B
Een schema met daarin productkenmerken en producteigenschappen
C
Een verkoopinformatiesysteem met een database waarin commerciële informatie wordt opgeslagen
D
een muziekinstrument

Slide 41 - Quiz

Wat is customer rating?
A
de waarde van een klant voor het bedrijf, in euro's uitgedrukt
B
hoe vaak een klant terugkomt of blijft hangen na een aankoop
C
Het rangschikken van afnemers door deze te beoordelen op specifieke criteria
D
dit staat beschreven in het CRM-systeem

Slide 42 - Quiz

Wat is break-even-omzet?
A
omzet waarbij de totale kosten gelijk zijn aan totale opbrengsten
B
omzet waarbij totale kosten hoger zijn dan totale obprengsten
C
omzet waarbij totale kosten lager zijn dan totale opbrengsten
D
aantal verkochte producten waarbij er geen winst of verlies is

Slide 43 - Quiz

Tot welke kostensoort behoren de rente- en afschrijvingskosten?
A
constante kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst

Slide 44 - Quiz

Tot welke kostensoort behoort de inkoopwaarde van de omzet?
A
constante kosten
B
indirecte kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst

Slide 45 - Quiz

Wat is het verschil tussen de brutowinst en nettowinst?
A
de inkoopwaarde
B
de bedrijfskosten
C
de winst
D
de omzet

Slide 46 - Quiz

Wat is seizoenskorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant

Slide 47 - Quiz

Wat is actiekorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant

Slide 48 - Quiz

Wat is omzetbonus?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting doordat een product zo vaak wordt gekocht
D
korting voor een vaste klant

Slide 49 - Quiz

wat betekent de winstmarge?
A
percentage over de prijs wat je aan winst maakt
B
percentage over de bedrijfskosten wat je aan winst maakt
C
nettowinst+brutowinst
D
inkoopprijs x afzet

Slide 50 - Quiz

Wat is de kostprijs?
A
de totale kosten die je maakt voor een product
B
de totale omzet die je verdient
C
de bedrijfskosten
D
wat je overhoudt aan nettowinst

Slide 51 - Quiz

Wat is een target?
A
een terugblik of je je doel hebt behaald
B
een concreet doel voor de korte termijn
C
hoeveel acquisitie-belletjes je per week uitvoert
D
een concreet doel waar je over 10 jaar staat met het bedrijf

Slide 52 - Quiz

Wat is de omloopsnelheid?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt

Slide 53 - Quiz

Wat is een kwantumkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant

Slide 54 - Quiz

Wat is een rabatkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
standaardkorting die een handelaar krijgt
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant

Slide 55 - Quiz

Wat is de terugverdientijd?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt

Slide 56 - Quiz

van welke soort kosten zijn maandelijkse telefoonkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze

Slide 57 - Quiz

Wat is het doel van Stichting Reclame Code?
A
de ethiek van advertenties bewaken
B
informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie

Slide 58 - Quiz

Wat betekent de afkorting ACM?
A
Autoriteit Consument & Markt
B
Autoriteit Consument & Media
C
Autoriteit Commercie & Markt
D
Algemene Consument & Markt

Slide 59 - Quiz

Wat doet ACM?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen

Slide 60 - Quiz

Wat doet DDMA gedragscode?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen

Slide 61 - Quiz

Wat doet Stichting Postfilter?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen

Slide 62 - Quiz

Wat doet Consuwijzer?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen

Slide 63 - Quiz

Wat doet Creative Commons?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen

Slide 64 - Quiz

wat betekent Free On Board?
A
alle transportkosten zijn voor rekening van de leverancier
B
de afnemer moet bij levering de factuur afrekenen
C
de transportkosten zijn voor rekening van de koper
D
de verkoper draagt alle kosten en risico's tot goederen aan boord zijn

Slide 65 - Quiz

van welke soort kosten zijn huurkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze

Slide 66 - Quiz

van welk soort kosten zijn grondstofkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
directe kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze

Slide 67 - Quiz

Wat is servicegraad?
A
het % klanten dat reageert op een reclame
B
% offertes dat leidt tot een order
C
percentage orders dat een bedrijf uit voorraad kan leveren
D
mate van hulp in een winkel

Slide 68 - Quiz

van welk soort kosten zijn verzendkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
variabele kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze

Slide 69 - Quiz

Wat is call-ratio?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen

Slide 70 - Quiz

Wat is conversieverhouding?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen

Slide 71 - Quiz

Wat is de succesrate?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen

Slide 72 - Quiz

Wat is responspercentage?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen

Slide 73 - Quiz

Wat is offertescoringsratio?
A
2 offertes nodig voordat klant tot aankoop overgaat
B
5 van de 20 klanten hebben de enquête ingevuld
C
4 van de 12 prospects zijn naar de website gegaan
D
3 van 10 producten zijn teruggeroepen door schade

Slide 74 - Quiz