NT2 grammatica - 10. Zwakke werkwoorden vervoegen
DEEL 2
NT2 grammatica - 10. Zwakke werkwoorden vervoegen
DEEL 2
Walid ... na het toneelstuk. [klappen, t.t.]
klap
klapt
Misha en Lena ... door het bos. [wandelen, t.t.]
wandel
wandelen
Ik ... op de boerderij van mijn opa. [werken, t.t.]
werken
werkt
werk
werkte
De jongen ... in het meertje. [vissen, t.t.]
vis
vist
vissen
viste
De ballen ... door de gymzaal. [rollen, t.t.]
Jij ... mij een fijne vakantie. [wensen, t.t.]
Jullie ... echt een prachtig schilderij. [maken, v.t.]
maken
maakte
maakten
maakden
De kaarsen ... de hele avond. [branden, v.t.]
branden
brandden
brandten
hebben gebrand
Ik ... op het feest. [dansen, v.t.]
Hij ... zijn kleine broertje. [knuffelen, v.t.]