NT2 grammatica - 10. Zwakke werkwoorden vervoegen deel 2

NT2 grammatica - 10. Zwakke werkwoorden vervoegen

DEEL 2

1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

NT2 grammatica - 10. Zwakke werkwoorden vervoegen

DEEL 2

Walid ... na het toneelstuk. [klappen, t.t.]

1

klap

2

klapt

Misha en Lena ... door het bos. [wandelen, t.t.]

1

wandel

2

wandelen

Ik ... op de boerderij van mijn opa. [werken, t.t.]

A

werken

B

werkt

C

werk

D

werkte

De jongen ... in het meertje. [vissen, t.t.]

A

vis

B

vist

C

vissen

D

viste

De ballen ... door de gymzaal. [rollen, t.t.]

Jij ... mij een fijne vakantie. [wensen, t.t.]

Jullie ... echt een prachtig schilderij. [maken, v.t.]

A

maken

B

maakte

C

maakten

D

maakden

De kaarsen ... de hele avond. [branden, v.t.]

A

branden

B

brandden

C

brandten

D

hebben gebrand

Ik ... op het feest. [dansen, v.t.]

Hij ... zijn kleine broertje. [knuffelen, v.t.]