H1 Lezen - Vaste tekststructuren: argumentatie / aspecten / voor- en nadelen / verklaring

Vaste tekststructuren
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Vaste tekststructuren

Slide 1 - Slide

Je leert over vast tekststructuren die je in teksten moet herkennen.
Je leert 3 vaste structuren: probleem-oplossingsstructuur, verklaringsstructuur en verleden-heden-toekomststructuur. 
Wat is een vaste tekststructuur? 
Inhoud en opbouw probleem-oplossingsstructuur / verklaringsstructuur /  verleden-heden-toekomststructuur 
Nederlands H1 Lezen, blz. 12-17
startopdracht (zelfstandig en samen bespreken)
maak opdr. 1 - 2 - 3   
Snel klaar? Maak dan ook opdr. 4 + 5
Hoe ging het? 

Slide 2 - Slide

Vooraf: opbouw
De meeste teksten hebben een inleiding, een middenstuk (kern) en een slot. 
Ze zijn vaak opgebouwd volgens een vaste structuur.

Slide 3 - Slide

Vooraf: tekststructuren
Een tekststructuur maakt duidelijk hoe een tekst in elkaar steekt. Er zijn verschillende tekststructuur.

In deze paragraaf behandelen we er vier.

Slide 4 - Slide

signaalwoorden
Elke tekststructuur maakt gebruik van signaalwoorden.
Signaalwoorden zijn woorden die er voor zorgen dat je weet met wat voor soort tekst je te maken hebt. 

Slide 5 - Slide

Maak de startopdracht

Slide 6 - Slide

1. Argumentatiestructuur
In een argumentatiestructuur wordt een mening of standpunt onderbouwd. Voorbeeldteksten zijn betogen, advertentieteksten of sollicitatiebrieven.

Slide 7 - Slide

Argumentatiestructuur
- Inleiding: standpunt
- Middenstuk: argumenten (voor en tegen met weerlegging) voor je standpunt
- Slot: herhaling standpunt

Slide 8 - Slide

Signaalwoorden argumentatie
- voor het standpunt: naar mijn mening, concluderend, kortom, dus. 
- voor argumenten die losstaan van andere argumenten: ten eerste…, overigens, nog afgezien van, trouwens. 
- voor argumenten die horen bij andere argumenten: daarbij komt, vooral ook, omdat.
- redenen en verklaringen: omdat, want, namelijk, daarom, aangezien, op grond van, immers, om die reden

Slide 9 - Slide

2. Aspectenstructuur
Bij aspecten moet je denken aan een kant of een zijde onder de aandacht brengen. De schrijver haalt een kwestie aan om te beschouwen. 
Voorbeeld: een aspect is het moeder- of vaderschap en de overtuiging die jouw schrijver heeft om een kind op te voeden.

Slide 10 - Slide

Aspectenstructuur
- In de inleiding: het onderwerp wordt benoemd
- In het middenstuk: diverse aspecten van het onderwerp worden toegelicht
- In het slot: Een samenvatting wordt gegeven van de aspecten

Slide 11 - Slide

Signaalwoorden aspectenstructuur
- bij een aspectenstructuur kunnen verschillende signaalwoorden toegepast worden in een tekst, denkende hierbij aan:
- opsomming: ook, verder, ten eerste, ten tweede, etc. in de eerste plaats, in de tweede plaats, etc. daarnaast, bovendien, vervolgens, ten slotte, als laatste, niet alleen … maar ook, zowel ... als, een ander argument, er is nog een reden waarom die reden.
Tegenstelling: maar, echter, toch, desalniettemin, desondanks, daarentegen, aan de ene kant, aan de andere kant, enerzijds, anderzijds, hoewel, integendeel, daar staat tegenover

Slide 12 - Slide

3. Voor- en nadelenstructuur
In een tekst kunnen de voordelen en de nadelen over een onderwerp worden beschreven. Deze komen voor in een betoog of beschouwing.

Slide 13 - Slide

Voor- en nadelenstructuur
- In de inleiding: het onderwerp, een vraag of een stelling wordt beschreven
- In het middenstuk: de voor- en de nadelen over het onderwerp worden genoemd (meestal verdeeld in alinea's)
- In het slot: Een conclusie of afweging wordt beschreven

Slide 14 - Slide

Signaalwoorden voor- en nadelenstructuur
Tegenstelling: maar, echter, toch, desalniettemin, desondanks, daarentegen, aan de ene kant, aan de andere kant, enerzijds, anderzijds, hoewel, integendeel, daar staat tegenover

Slide 15 - Slide

4. Verklaringsstructuur
In een uiteenzetting met een verklaringsstructuur verklaar je een verschijnsel. Bij een verschijnsel moet je denken aan iets wat zich voordoet, waarna je dit gaat onderzoeken. Bijvoorbeeld: luchtverontreiniging
In je inleiding introduceer je dit verschijnsel en in de kern werk je dit verder uit aan de hand van voorbeelden, kenmerken, oorzaken en gevolgen.

Slide 16 - Slide

Verklaringsstructuur
- In de inleiding: een verschijnsel wordt benoemd
- In het middenstuk: kenmerken en voorbeelden van het verschijnsel worden genoemd. Maar, denk ook aan verklaring/verklaringen, oorzaak/oorzaken, reden/redenen
- In het slot: Een samenvatting of conclusie wordt gegeven 

Slide 17 - Slide

Signaalwoorden verklaringsstructuur
Bij oorzaken: Doordat er te weinig mensen gebruik maken van de bus, rijden er sinds dit jaar geen bussen meer naar de stad.
Redengevend verband: daarom, want, omdat
Voorbeeld: "Voor het proefwerk geschiedenis had ik een slecht cijfer, omdat ik er te weinig voor geleerd had."
 

Slide 18 - Slide

Tip:
Meestal kun je de tekststructuur herkennen, als je de tekst globaal leest: Je komt te weten wat de hoofdzaken van een tekst zijn door de eerste en de laatste alinea te lezen en de eerste en laatste zinnen van de alinea's
Soms is het noodzakelijk om de tekst intensief te leen om erachter te komen welke structuur de tekst heeft.

Slide 19 - Slide

Wat is een tekststructuur?
A
Het is de opbouw van de alinea's in een tekst
B
het is een manier om een tekst in te delen.
C
inleiding-middenstuk-slot

Slide 20 - Quiz

Wat is GEEN tekststructuur?
A
verklaring
B
verleden-heden-toekomst
C
probleem-oplossing
D
synoniemenstructuur

Slide 21 - Quiz

Wat is de tekststructuur?
A
probleem - oplossing
B
beschrijving
C
verklaring
D
voor- en nadelen

Slide 22 - Quiz

Maken
Maak opdracht 1-2-4
Snel klaar? Maak dan ook opdracht 3 en 5

Blz. 12-17

Slide 23 - Slide

1. probleem-oplossingsstructuur
Een tekst waarin de signaalwoorden: probleem en oplossing voorkomen. Voorbeeld: In de inleiding wordt het probleem aangekaart, vervolgens worden in het middenstuk per alinea oplossingen genoemd en uitgewerkt. Hier kunnen oorzaak en gevolg ook signaalwoorden zijn.

Slide 24 - Slide