Einstufungstest Fälle V3

Herzlich Willkommen
 
Was weißt du noch über die Fälle?

Dienstag, den 20. Februar
1 / 32
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Herzlich Willkommen
 
Was weißt du noch über die Fälle?

Dienstag, den 20. Februar

Slide 1 - Slide

Aufgabe 1: 
Was weißt du noch (4 vragen)?

Slide 2 - Slide

Wat zijn naamvallen?
timer
2:00

Slide 3 - Open question

Voor welk deel van de zin gebruik je de 1e naamval?
timer
1:00
A
gezegde
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 4 - Quiz

Voor welk deel van de zin gebruik je de 4e naamval?
timer
1:00
A
gezegde
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 5 - Quiz

Voor welk deel van de zin gebruik je de 3e naamval?
timer
1:00
A
gezegde
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 6 - Quiz

Aufgabe 2: 
Vul bij de volgende vragen de juiste naamval in (2 vragen).

Slide 7 - Slide

D___ Mann ist sehr fröhlich.
timer
1:00
A
Der
B
Die
C
Das
D
Den

Slide 8 - Quiz

Ich habe d___ Mann einen Apfel gegeben.
timer
1:00
A
der
B
dem
C
das
D
den

Slide 9 - Quiz

Ich habe d___ Mann gesehen.
timer
1:00
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 10 - Quiz

1e naamval = onderwerp
  • Der Lehrer gibt zu viel Hausaufgauben auf.

3e naamval = meewerkend voorwerp
  • Die Schüler haben dem Lehrer ein Geschenk gegeben.

4e naamval = lijdend voorwerp
  • Meine Freunde finden den Lehrer zu streng.
Was haben wir schon gelernt?

Slide 11 - Slide

Der- und ein-Gruppe:

Slide 12 - Slide

Voorzetsels 

Slide 13 - Slide

Aufgabe 3: 
Ken je de voorzetsels nog een beetje?

Slide 14 - Slide

gegen
um
bis
ohne
langs
für
durch
entlang
door
voor
tegen
tot
om
zonder

Slide 15 - Drag question

Welke voorzetsels gaan ook alweer met de 3e naamval? Schrijf op wat je nog weet!

Slide 16 - Mind map

Hoe zit het nog weer met de keuzevoorzetsel?
A
Ik mag zelfs bepalen welke naamval ik gebruik.
B
Je gebruikt of de 3e of de 4e naamval.
C
Je gebruikt of de 1e of de 2e naamval.
D
Bij een keuzevoorzetsel mag je een lidwoord kiezen.

Slide 17 - Quiz

Keuzevoorzetsels: wanneer wordt de 3e naamval gebruikt?
A
Er wordt een beweging uitgedrukt.
B
Als je de vraag 'wer?' kunt stellen.
C
Er wordt een toestand uitgedrukt.

Slide 18 - Quiz

Keuzevoorzetsels: wanneer wordt de 4e naamval gebruikt?
A
Er wordt een beweging uitgedrukt.
B
Als je de vraag 'wer?' kunt stellen.
C
Er wordt een toestand uitgedrukt.

Slide 19 - Quiz

Präpositionen:

Slide 20 - Slide

Aufgabe 4: 
Vul bij de volgende vragen de juiste naamval in, let op het voorzetsel (4 vragen).

Slide 21 - Slide

Ohne ... Portemonnaie (o) gehe ich nicht in die Stadt.
timer
1:00
A
ein
B
eine
C
einen
D
eines

Slide 22 - Quiz

Ich bin mit mein... Vater zur Schule gefahren.
timer
1:00
A
meiner
B
meinen
C
meinem
D
mein

Slide 23 - Quiz

Seit ein... Woche (v) bin ich krank.
timer
1:00
A
einer
B
eine
C
einem
D
einen

Slide 24 - Quiz

Der Mann hat ein Geschenk für sein... Frau gekauft.
timer
1:00
A
seiner
B
seinen
C
sein
D
seine

Slide 25 - Quiz

Aufgabe 5: 
Sleep de zinsdelen op de juiste plaats om het stappenplan van de naamvallen compleet te maken (sleepvraag).

Slide 26 - Slide

Onderwerp zoeken
Kies de juiste groep en kijk welke uitgang je in moet vullen
Lijdend voorwerp zoeken
Zin vertalen
Voorzetsel zoeken
Persoonsvorm + gezegde zoeken
Stap 1
Stap 2
Stap 3
Stap 4
Stap 5
Stap 6

Slide 27 - Drag question

Aufgabe 6: 
Nu komen er 4 vragen waarbij je een kort antwoord moet geven. Gebruik het stappenplan!

Slide 28 - Slide

Nein, ... (mijn) Kassenzettel (m) habe ich nämlich nicht mehr gefunden.
timer
2:00

Slide 29 - Open question

Nach d... Schule (v) fahre ich zu meinen Großeltern
timer
2:00

Slide 30 - Open question

Ist ... (het) Taschengeld (o) jetzt schon alle?
timer
2:00

Slide 31 - Open question

Hast du das Geschenk für ... (zijn) Vater gekauft?
timer
2:00

Slide 32 - Open question