Zinsontleden





Zinsontleding






Nederlands
1 / 46
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson





Zinsontleding






Nederlands

Slide 1 - Slide

Zinsontleding:
persoonsvorm
Bestudeer de dia's met een gele stip als je meer wilt oefenen met de persoonsvorm.
onderwerp
Bestudeer de dia's met een gele stip als je meer wilt oefenen met het onderwerp.

werkwoordelijk gezegde
Bestudeer de dia's met een oranje stip als je meer wilt oefenen met het werkwoordelijk gezegde.
lijdend voorwerp
Bestudeer de dia's met een groene stip als je meer wilt oefenen met het lijdend voorwerp.

meewerkend voorwerp
Bestudeer de dia's met een rode stip als je meer wilt oefenen met het meewerkend voorwerp.

Slide 2 - Slide

Persoonsvorm

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Leg uit hoe je de persoonsvorm in een zin kunt vinden.

Slide 5 - Open question

Geef de persoonsvorm van de volgende zinnen.

Slide 6 - Slide

Waarom wandelt Elise de avondvierdaagse?

Slide 7 - Open question

Sam is vandaag tot 14:05 naar school geweest.

Slide 8 - Open question

In zijn jas heeft Job een scheur.

Slide 9 - Open question

Soms rijdt mijn broertje door een rood verkeerslicht.

Slide 10 - Open question

Hoe kun je de PV ook alweer vinden?

Slide 11 - Open question

Wat is de PV?

Vanavond speelt Bilal Wahib op onze school.

Slide 12 - Open question

Wat is de PV?
Daarom zijn de muren van de kantine versierd met slingers en ballonnen.

Slide 13 - Open question

Wat is de PV?

Ook hangen er discolampen aan het plafond.

Slide 14 - Open question

Zinsdelen

Een zinsdeel kan een woord, maar ook een groepje woorden zijn .

Ieder 'stukje' van de zin dat je voor en na de PV kunt plaatsen is een apart zinsdeel.

Slide 15 - Slide


Voor de PV past maar 1 zinsdeel!! 

Elk zinsdeel kan maar 1 naam krijgen. Je moet dus kiezen!
Elk zinsdeel geeft antwoord op een vraag/ handeling. 


Slide 16 - Slide

Voorbeeld
Vorig jaar | heb | ik voor mijn vrienden een damtoernooi | georganiseerd. |

Ik | heb | vorig jaar voor mijn vrienden een damtoernooi | georganiseerd. |

Voor mijn vrienden | heb | ik vorig jaar een damtoernooi | georganiseerd. |

Een damtoernooi | heb | ik vorig jaar voor mijn vrienden | georganiseerd. |

Slide 17 - Slide

Hoeveel zinsdelen heeft de zin:
Onze klas mailt elke maand met enkele Franse scholieren.
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 18 - Quiz

Hoeveel zinsdelen heeft de zin:
Heeft Floris de Vijfde vroeger op het Muiderslot gewoond?
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 19 - Quiz

In welke zin staan de zinsdeelstrepen op de juiste plek?
Zijn broer maakte die lastige opdracht zonder fouten.
A
| Zijn | broer | maakte | die lastige opdracht | zonder fouten.||
B
| Zijn broer | maakte | die | lastige opdracht |zonder | fouten. ||
C
| Zijn broer | maakte | die lastige opdracht |zonder | fouten. ||
D
| Zijn broer | maakte |die lastige opdracht |zonder fouten. ||

Slide 20 - Quiz

Werkwoordelijk gezegde

Slide 21 - Slide

Werkwoordelijk gezegde
  • Alle werkwoorden uit de zin
  • Dus: persoonsvorm + andere werkwoorden uit de zin

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Zinsdelen + WG
De getuige was overtuigd van haar verhaal.

Slide 24 - Open question

Zinsdelen + WG
Mijn broertje verkleedt zich als piraat.

Slide 25 - Open question

Zinsdelen + wg
De winkelier was zijn voorraad aan het controleren.

Slide 26 - Open question

Welk ww wordt op de foto afgebeeld?

Slide 27 - Open question

Maak een korte zin met het ww uit de vorige vraag.

Slide 28 - Open question

Onderwerp

Slide 29 - Slide

Onderwerp
  1. Zoek de persoonsvorm
  2. Vraag: wie of wat + persoonsvorm
  3. Het antwoord op die vraag is het onderwerp

Slide 30 - Slide

Lijdend voorwerp

Slide 31 - Slide

Even opfrissen
- Persoonsvorm (PV): 
tijdproef

- Werkwoordelijk gezegd (WWG): 
PV + alle werkwoorden in de zin

- Onderwerp (OND): 
vraag WIE of WAT + wwg

Slide 32 - Slide

Wat is de handeling?

Wie voert de handeling uit?

Wat/wie is nodig bij de handeling?




Maak een zo kort mogelijke zin bij het plaatje.

Slide 33 - Slide

Wat is de handeling?

Wie voert de handeling uit?

Wat/wie is nodig bij de handeling?




Maak een zo kort mogelijke zin bij het plaatje.

Slide 34 - Slide

Wat is de handeling?

Wie voert de handeling uit?

Wat/wie is nodig bij de handeling?




Maak een zo kort mogelijke zin bij het plaatje.

Slide 35 - Slide

Lijdend voorwerp
Je moet twee dingen weten:
  • Wie/wat doet er iets? (onderwerp)
  • Wat doet diegene?
(pv + werkwoordelijk gezegde)


Wie/wat + onderwerp + gezegde?

Slide 36 - Slide

even oefenen...
De jongens gooiden sneeuwballen op het schoolplein.

Maaike is door twee klasgenoten gepest via whats-app.

Razend gooide de leraar een krijtje door het lokaal.

Peter heeft gisteren zijn scooterrijbewijs gehaald.

Slide 37 - Slide

Wat is het lijdend voorwerp?
'De jongens gooiden sneeuwballen op het schoolplein.'

A
De jongens
B
sneeuwballen
C
het schoolplein
D
Er is geen lijdend voorwerp

Slide 38 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp?
'Razend gooide de leraar een krijtje door het lokaal.'

A
Razend
B
de leraar
C
een krijtje
D
het lokaal

Slide 39 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp?
'Peter heeft gisteren zijn scooterrijbewijs gehaald.'
A
Peter
B
gisteren
C
zijn scooterrijbewijs
D
Er is geen lijdend voorwerp

Slide 40 - Quiz

Meewerkend voorwerp

Slide 41 - Slide

Zinsdelen
  • Persoonsvorm
  • Werkwoordelijk gezegde
  • Onderwerp
  • Lijdend voorwerp
  • Meewerkend voorwerp


Slide 42 - Slide

Meewerkend voorwerp

Aan wie of voor wie + gezegde + onderwerp en lijdend voorwerp

Slide 43 - Slide

Wat is het meewerkend voorwerp?
'De jongen schrijft een liefdesbrief aan zijn vriendin.'
A
De jongen
B
een liefdesbrief
C
aan zijn vriendin
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 44 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?
'Mijn oma appt mij het recept.'
A
Mijn oma
B
mij
C
het recept
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 45 - Quiz





Zinsontleden
Oefenenzinnen

Slide 46 - Slide